is toegevoegd aan uw favorieten.

De landrente-belasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegen de vrijstelling van het bestaansminimum zijn door verschillende schrijvers bedenkingen aangevoerd. Zij zijn alle in theorie, naar ons wil voorkomen, voldoende weerlegd, o.a. door Pierson **) en COhen Stuart "). In den tegenwoordigen stand der belastingwetenschap kan men wel veilig aannemen, dat de eisch van belastingvrijheid van het bestaansminimum in theorie niet wordt ontkend, al wordt die eisch door verschillende schrijvers op verschillende wijze geargumenteerd. Ook in de Nederlandsch-Indische Inkomstenbelasting vindt men het principe terug. Daar is het minimum op ƒ 120.— vastgesteld.

De vraag is nu: hoe moeten wij over den eisch van den heer Wellenstein, om ƒ 80.— per bouw vrij te laten, denken?

Voor het oogenblik laten we de vraag buiten beschouwing, of langs den door Wellenstein aangegeven weg het doel, een fiscaal vrij te laten bestaansminimum van ƒ 100.— per jaar per gezin, te bereiken is. Voorloopig houden we ons bezig met de vraag, of een vrijstelling van een zeker bestaansminimum bij de landrente aan te bevelen is.

Al dadelijk moet worden toegegeven, dat een eisch van vrijstelling van een zeker bestaansminimum, ook met betrekking tot de landrente, redelijk lijkt. Met Prof. Gonggrijp 24) betwijfelen wij echter, of een vrijlaten van gronden met een productiviteit beneden een zeker aantal pikols — want daar komt het toch op neer — goede economische politiek zou zijn. Herinneren wij ons, wat Pierson zegt ten aanzien van de punten, waarop gelet moet worden bij de regeling van een belasting: „Er is verschil in de zeden en gewoonten, den graad van ontwikkeling, de rechtsbeschouwingen, de staatkundige toestanden der volken; en op al deze zaken moet worden gelet. Het historisch gewordene mag daarbij niet buiten aanmerking blijven; sedert lang bestaande regelingen kunnen diepe wortels hebben geschoten in het volksleven" 25).

Terecht; de landrente is van een eerbiedwaardigen ouderdom en het landrentevraagstuk is voor Java en Madoera niet zoozeer van belasting-technischen en administratieven dan wel van economischen aard. Reeds in de Preanger-nota werd het zeer ongewenscht geacht velden van een zeer geringe productie van landrente vrij te stellen, wijl daardoor het drijven van een extensieve cultuur, het besteden van minder zorg aan de bewerking der velden, etc. in de hand zou worden gewerkt 28). De grondversnippering is in vele streken van Java groot, de landhonger eveneens en de overbevolking bedenkelijk. De neiging, om ook de slechtste gronden in cultuur te brengen, mits niet te ver van de oude desa gelegen, om daardoor emigratie te ontgaan, is onmiskenbaar. Een economische politiek, die erop gericht is, om de werking dezer tendenzen te belemmeren, kan niet anders dan heilzaam voor de heele inheemsche maatschappij genoemd worden. En voor dit doel mag zeer zeker een