is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

farmed the worn-out lands and gained a miserable and precarious subsistence. As compared with laborers on the farms or in the workshops of the North their physical situation was abject poverty, their intellectual state utter ignorance, and their moral condition grovelling baseness. Nor did this proceed entirely from the fact that they were forced to work the barren, improductive lands." 3)

Hjj büjkt tot hun eigenschappen te rekenen: „Ignorance, improvidence, lazyness, and the prejudices of narrow minds", en schrijft verder: „The poor whites of the South looked on the prosperity of the slave-holding lord with rank envy and sullenness; his trappings contrasted painfully with their want of comfort." Hjj acht hen „a despised people". „Slavery degraded labor, and therefore degraded the white man who had to work with his hands"4).

J. B. McMaster noemt als de sociale elementen in het oude Viifginiai rjjke planters, minder welgestelde kleine planters, „poor whites" en slaven. „The poor whites" waren, zegt hij, een immoreel, lui, arbeidsschuw en vechtlustig gepeupel 5).

Een ander bekend historicus die de „mean whites", als klasse volgend op de planters, op soortgelijke wijze schetst, is James Schouler. De „poor white" was, volgens hem, „a pitiable object", vuil, ongezond, met de gewoonten van een bruut; hij leefde en vocht als de dieren 6).

H. E. von Holst: „The mass of the small slaveholding landowners and of the poor artisans was the most sorrowful social product which the history of civilized nations has to show, an aristocratie proletariat which both from itsjack of culture and its ignorance, was terrible material in the hands of a selfseeking aristocracy and of politicians greedy for power" 7).

In vele andere, en ook in meer recente wetenschappelijke werken van rang is de hiér weergegeven opvatting der nietslavenbezittende blanken uit het vroegere Zuiden te vinden»).

Wij mogen het als een algemeen voorkomende en een ook door ernstige, wetenschappelijke schrijvers aanvaarde generalisatie beschouwen, dat in het ante bellum Zuiden naast de planters en hun negers slechts een groote groep van blanken bestond, aangeduid met geringschattende benamingen als „poor-whites", „mean whites", „poor white trash", die weinig of geen slaven bezat en sociaal scherp van de aristocratie gescheiden was. De algemeene voorstelling van hen is, dat zij een immoreele, gedegradeerde^ terecht verachte menschensoort waren, ^ onwetend, ruw, lui, economisch onbruikbaar, sociaal en politiek onbeduidend, in onderwerping gehouden door de groot-slaven-