is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1860 toch nog een beperkt aantal negers op, maar voorzoover het niet betrof de slaven van groote boeren uit het breede lengtedal, die wat veldarbeiders konden gebruiken, waren dit meest huisbedienden van meer welgestelde dorpsbewoners. De alomtegenwoordige Olmsted generaliseerde voor het hoogland: „Of the people who get their living by agriculture, few own negroes; the slaveholders being chiefly professional men, shopkeepers, and men in office, who are also land owners, and give a divided attention to farming"9). Het gebied als geheel was een land van onafhankelijke en arme kleine blanke landbouwers. Ook in de vruchtbare groote dalen ontstond geen plantersaristocratie ; de welvarende plattelanders daar waren en bleven slechts groote boeren. De groote meerderheid der blanken in het besproken gebied had dus niets met negers te maken, kende hen nauwelijks. Kwamen zjj er echter mee in aanraking dan bleek, toen evenals nu, sterke ras-antipathie.

De rest der Vereenigde Staten wist weinig van dit land af, kende, naar het schijnt, ternauwernood het bestaan ervan. Naarmate overig Amerika zich ontwikkelde en veranderde, werd het bergland, hierin door de natuurlijke omstandigheden belemmerd, steeds meer een op zichzelf staand deel, waarvan de eigenaardigheden eerst veel later „ontdekt" zouden worden. Edgar Allen Poe maakte in 1845 vagelijk gewag van de wilde bergen in Westelijk Virginia, „tenanted by fierce and uncouth races of men"10), maar niet vóór den Burgeroorlog trok de streek de aandacht van de natie. Toen kwam het voor Noord en Zuid min of meer als een verrassing dat het bergland tienduizenden scherpschutters aan de Noordelijke legers leverde, en als een schiereiland uit het Noorden in het zich afscheidende Zuiden drong. Deze trouw der Mountaineers aan de Unie was grootendeels een kwestie van traditie. De Declaration of Independance hadden zij als een axiomatische waarheid in hun bergen meegenomen en daar bleven zjj er als een realiteit aan gelooven. Dit democratische hoogland had verder nooit veel moeten hebben van de plantersaristocratie der lage landen, in de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten waren de afgevaardigden der bergen dikwijls malcontenten geweest. Men denke echter niet dat in Appalachia in het geheel geen aanhangers van de Zuidelijke zaak bestonden. Op vele plaatsen was de meening verdeeld, ook daardoor hebben de bergdistrikten veel van den Burgeroorlog geleden.

De bevolking van het gebied groeide in volgende decenniën steeds, met dezelfde gevolgen als vroeger. Als de verdeeling

3