is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

on to Christmas; they is good breed, for in this kentry it 's root hog or die" 22).

Het was hun stagnatie temidden van een aktieve om gering die voor hen kenmerkend was; zij waren een uitgesproken hoektype, door boeren en planters naar sterielen grond gedrongen als gevolg van hun economische impotentie, welke zelf weer op zulk land niet meer dan een behoeftig en precair bestaan toeliet.

Hun uiterlijk noemde Hundley „far from prepossessing". Anderen waren strenger in hun oordeel. Zij waren hoekig in hun bewegingen, mager, hadden een uitgeteerd gezicht en soms een opgezwollen buik, hun huid had meestal de kleur van licht leem, hun haar was vuurrood, vlas- of zandkleurig en steeds ongekamd, wat de spotnaam „Tow-Heads" voor hun kinderen verklaart. In zijn schets „The Fight" introduceert Longstreet in den persoon van Ransey Riffle een echten „dirt-eater", „who in his earlier days, had fed copiously upon red clay and blackberries. This diet had given to Ransey a complexion that a corpse would have disdained to own, and an abdominal rotundity that was quite unprepossessing" 23). Van de in die lage landen zoo gewone koortsen hadden zij steeds veel te lijden. Onveranderlijk waren zij vuil, hun gezichten en ledematen waren soms met een , korst bedekt. Hun kleeding was armelijk en slonzig, op de J plantages waren de huisslaven beter en de „field hands" niet \ slechter gekleed. Het materiaal was meest homespun. Een slappe hoed dekte het hoofd; het dragen van schoeisel was lang geen regel, de kinderen gingen steeds blootsvoets..

Mooie Jonge meisjes waren onder hen niet zeldzaam, maar na korten tijd waren zij oud, hun huid verkleurde en rimpelde, de geheele vitaliteit verminderde opmerkelijk. Tijdgenooten schreven dit toe aan hun slechte gewoonten. Mannen, vrouwen y en kinderen rookten en pruimden veel, maar speciaal de vrouwen waren verslaafd aan scherpe Schotsche snuif, „to dipp snuff" heette dit. Een kort stokje van zacht hout, liefst van een berk of een black-jack boom werd aan het eene einde tot een soort borsteltje uitgekauwd, in de snuifdoos gestoken, waarna de tabak over de tanden en langs de wanden der mondholten werd verspreid. Ook staken zij het stokje wel in den mond en kauwden het dan. Had de snuif haar kracht verloren, dan werd een nieuwe dosis genomen. De gewoonte is onder de lagere blanken in het Zuiden ook nu nog te vinden. Opgemerkt moet echter worden, dat „snuff-dipping" door vrouwen in vroeger tjjd niet tot de poor white klasse beperkt was, hoewel het daaronder wel het meest voorkwam. Ook onder boeren en kleinere