is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dek der stoomers vaak hun blokhutten op, vooral langs den Mississippi en diens bijrivieren. Meestal bebouwden zij een stukje land, in hoofdzaak leefden zij van wat de kapiteins der groote rivierbooten hen voor het brandhout betaalden, dat zjj aan den oever opstapelden. Zjj werkten op eigen vuist en zjjn als kleine ondernemers te beschouwen. Doorgaans leefden zjj als „squatters" op het land en volgens sommigen leidden zjj een miserabel bestaan, en zagen er ziekelijk uitieo). Een trieste beschrijving van hen gaf Mevrouw Trollope iel), maar deze dame had een open oog voor alles wat in het ruwe Amerika van haar tijd leeln'k was en haar voorstelling van zaken moet met eenig voorbehoud aangenomen worden. Een Duitsche touriste die tien jaar later deze menschen waarnam, vond hun toestand aanmerkelijk beter dan zij zich op grond van Mrs. Trollope's beschrijving had voorgesteld 162). Wellicht ook had het in die tien jaren snel toegenomen verkeer dit bewerkt. Over hun ongezond uiterlijk had ook een zekere Ferral, een Engel*sch tourist, het. „The dwelling is the rudest kind of log-house, and the outside is sometimes decorated with the skins of deer, bears, and other animals, hung up to dry. Those people are commonly afflicted with fever and ague; and I have seen many.'particularly females, who had immense swellings or protuberances on their stomachs, which they denominate „ague-cakes". The Mississippi woodcutters scrape together „considerable of

dollars", but the pay dearly for it with their health " 163).

Volgens Parker deden zij lang geen slechte zaken 164). Ingraham deelt mee, dat zjj meest uit het Noordwesten afkomstig waren, een ander schrijver, Tyrone Power, bevestigt' dit. „They informed me that they can clear fifty dollars a month for the seven months they can work in this region, and that four or five seasons are sufficiënt to enable a saving man to buy a farm in the West" i65).

Dan waren er de menschen, die in het gering ontwikkelde transportwezen over land een rol speelden, de „tobacco-rollers", „wagonera", „drovers". Vooral vóór 1830 ginglieel veel verkeer per as. „The question is interesting as to who dit the wagoning business. It is apparent that not every man was his own carrier; but historical data upon this class of professional Wagoners are extremely scant. We have enough material to warrant the statement that that class was considerable and important" 166). Vooral door Virginia en de Carolina's kwamen de voerlieden, die met hun huifkarren de tabak uit Kentucky, Virginia en North Carolina Zuidwaarts brachten of de whiskey en brandy der