is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de handen van een kleine blanke minderheid bevond zich een onevenredig groot deel van den rijkdom, de beschaving en de macht van het land. De armere blanken hadden niet veel vooruitzichten, als groep waren en bleven zij onontwikkeld, hadden maar weinig te zeggen, en stonden toch eigenlijk niet zeer in de achting der machthebbers, al toonden dezen dat niet in het openbaar. De belangen der niet-slavenhouders namen zij wéinig ter harte, niet uit verachting of minachting, maar eenvoudig omdat zij buiten hun aandacht stonden. Verantwoordelijkheid voelden zjj, behalve jegens de zwarte menschen die zij bezaten; slechts voor den Staat, dien zij bestuurden, en op welks lotgevallen zjj een beslissenden invloed hadden. Ten aanzien van hun arme medeburgers voelden zij zich tot niets verplicht. Met het grooter worden van den afstand vervreemdden zij van de klasse waaruit zij voortgekomen waren en gingen de voorrechten, die hun bezit en hun positie meebrachten, als natuurlijke privilegiën beschouwen. De trotsche, soms arrogante planter, die overtuigd was van de voortreffelijkheid en de hooge beschaving van zijn oude familie, of als nouveau riche zijn behooren tot de „quality" in levenswijze en opinies onderstreepte met al den nadruk van den snob, voelde zich toch in niet geringe mate den meerdere van den armen „cracker", in weerwil van een bij gelegenheid familiaren omgangstoon. De voortdurende uitoefening van een onbeperkt gezag over hun slaven vooral was een goede bodem voor den groei van aristocratische opvattingen, de noodzaak om eigen instellingen te verdedigen tegen de voortdurende aanvallen van het Noorden verhaastte in het Zuiden de formuleering van een maatschappij-beschouwing die lijnrecht tegen die van het Noorden en van liberaal Europa inging. Met de phijosophie van Dew ging men in planterskringen afwijken van de natuurrechtopvattingen en de Jeffersonsche democratische beginselen, werden de stellingen geponeerd die tenslotte in de verscherpte bewoordingen en logische uitwerkingen van Chancellor William Harper het credo van het officieele Zuiden zouden worden: de inherente ongelijkheid der menschen doet een wettelijk gestratificeerde maatschappij de meest natuurlijke en dus de beste zijn se). Waar de lagere arbeid in onvrijheid! verricht wordt door hen, die van nature hiertoe voorbeschikt zjjn, wordt de mogelijkheid zich aan hoogere taken te wijden dengenen, die daar de aangeboren bekwaamheid toe bezitten, beter gegarandeerd. De lektuur van Walter Scott en Thomas Carlysle gaf nieuw voedsel aan deze denkbeelden, wéT mede