is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortdurend in Westwaartsche ridtting uitbreidde. Deze onophoudelijke expansie was natuurlek het meest opvallend aan den bevolkingsrand, de frontier, maar op de oudere gebieden had dit evenzeer een vèrstrekkenden invloed. Bij de opening van nieuw grondgebied in de Zuidelijke Staten begaven zich daarheen arme boeren, menschen met een paar slaven en enkele bezitters van een grooter aantal negers. De voorhoede bestond hoofdzakelijk uit kleine boeren, wier vroeger land uitgeput was, die door planters uitgekocht waren, het niet met hun buren vinden konden, zich grooter voordeelen beloofden in het nieuwe land, eenvoudig uit treklust verhuisden of om nog andere redenen zich verplaatsten. Niet al deze menschen richtten zichjn de allereerste plaats naar land dat voor de stepelproduktie, in casu katoen, in aanmerking kwam. Het is onjuist om alle blanken die later buiten de stapelarea wonen als verdrongenen te beschouwen. Wij hebben er reeds op gewezen, hoe de ontginningseischen in sommige zeer vruchtbare maar dicht begroeide gebieden slechts kapitaalkrachtigen daar als pioniers toelieten. Als het publieke land openbaar verkocht werd, had reeds in den aanvang een ruwe scheiding plaats in de lokaliseering van bemiddelden en armen, doordat de eersten voor het begeerlijke land meer dan de laatsten konden bieden. Vooral als de eerste landverkooping in tijden van hooge katoenprijzen vielen zal dit het geval geweest zu'n. Anderen, van tweede of derde klasse land vertrokken, kozen in het nieuwe gebied iets soortgelijks, niet slechts omdat beter niet kon worden betaald, maar dikwijls ook wijl zjj aan een grondsoort en aan bepaalde daarvoor geschikte bedrijfsvormen gewoon waren geraakt. De armelijke veetelers in de naaldwouden van Oost Mississippi kwamen uit een overeenkomstige omgeving in de Carolina's en Georgia en wenschten blijkbaar niets anders 22), de boeren op de hoogere Piedmont heuvels hadden voor een groot gedeelte eenzelfde land verlaten. Sprekend over de steeds weer verhuizende „backwoodsmen" schreef Lyell: „In pursuing this singular vocation. they who go southward from Virginia to North and South Carolina, and then to Georgia and Alabama, follow, as if by instinct, the corresponding zones of country, the inhabitants of the red soil of the granitic region keep to their oak and hickory, the „crackers" of the tertiary pine barrens to their light-wood, and they of the newest geological formations in the sea-islands to their fish and oysters" 23) Het is belangrijk dit in het oog te houden, en den