is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

politieke vrubuiters trok naar de ongelukkige Zuid Staten hun schaamtelooze verkwistingen, rooverüen en uitbuitingen hebben de saneering van het land noodeloos lang uitgesteld

Een gedeelte der planters was reeds vóór den oorlog in schulden, wegens opgenomen voorschotten of op krediet geleverde steven, en waren reeds dadelijk door den oorlog bankroet gegaan. Zu die zich weinig ingespannen hadden om weer aan het economisch leven te gaan deelnemen, hadden hun land moeten verkoopen om de middelen tot levensonderhoud te verkrijgen of omdat zü de grondbelasting niet konden betalen. Gedwongen verkoopingen wegens belastingachterstand waren aan de orde van den dag. De mislukte pogingen om het grootbedrijf m de volgende jaren te handhaven deden anderen volgen • hun onder hypotheek staande goederen werden door den sheriff verkocht. Behalve ondernemende Zuidelüke middenstanders traden ruk geworden carpetbaggers, in het Zuiden gebleven I officieren van het Noordehjk leger, oorlogswinstmakers en uit l het Noorden komende speculanten als koopers op. De Yankee die het in de katoen probeert, is een veel voorkomende figuur in de aanteekeningen der reizigers »). De tijdgeest was niet een dusdanige, dat de ondernemingslust der planters na de mislukkingen der eerste na-oorlogsche jaren groot kon zün. De trotsche verwachtingen waarmede de heerschende klasse den oorlog begonnen was, waren op niets uitgeloopen. Vanzelf ging met de nederlaag een verzwakking van het prestige bij de lagere blanke klassen gepaard, de vroegere élite voelde zich onttroond zu werd verbitterd door de heerschappü van scallawags, carpe£ baggers en negers. Zü zagen wel reeds in, dat het met de glorie van de oude aristocratie voorgoed gedaan was. Er waren veten t b6ginne af geen vertrouwen in den vrijen arbeid

gehad hadden u). In den ouden tijd was het een soort van dogma geworden, dat de stapelprodukten niet dan met gedwon-en negerarbeid konden worden verbouwd. Dan waren de plantersbegrippen van vrüen „arbeid» vaak ontleend aan wat de poor whites die zu m de buurt van hun goederen hadden gekend daarvan te zien gaven. De ongunstige resultaten die in de afgeloopen jaren met vrije negers waren verkregen, schenen hun geluk te geven. Nadat de pogingen, die tusschen 1865 en 1869 gedaan werden om met loonarbeid het oude landgoed te bewerken, op mets waren uitgeloopen, moest men er steeds meer toe overgaan om dit in stukjes te verpachten. De planters waren ontmoedigd verloren de belangstelling en het genoegen in den landbouw. Wie nog eigenaar van zün land was, verhuurde het