is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor een vergelijking niet bruikbaar zn'n. Over de verhoudingen tusschen bepaalde deelen der afzonderlijke Staten geeft geen enkele officieele compilatie der absolute countycnfers inlichting. In de weinige studies die er zijn over de agrarische geschiedenis van het Oude zoowel als van het Nieuwe Zuiden, wordt veel te weinig onderscheiden tusschen de zoo zeer verschillende onderdeelen der Staten. R. M. Harper heeft voor Georgia een analyse der censusgegevens naar de verschillende bodemstreken van den Staat gemaakt, vpor het tijdvak 1850—1920. Maar zün becijferingen zü'n niet alle volgens een gehjk plan verricht, zü'n daardoor niet onderling vergehjkbaar, en geven bovendien voor ons doel voor de periode 1860—1880 weinig licht. Uit de jaren 1880, 1890 en 1919 berekent hü voor de verschillende bodemstreken het percentage van het totaal bebouwde land dat in katoen geplant is, en vindt dan in de Boven Piedmont van Georgia resp. 28 %, 32.2 % en 46.2 % 28). r. p. Brooks, die zich voor de economische geschiedenis van het Zuiden verdienstelijk heeft gemaakt door de censusgegevens der Georgia counties tusschen de jaren 1860 en 1910 naar de anthropo-geographische onderdeelen van dien Staat te groepeeren, toont in zün studie, dat tusschen 1860 en 1910 de Boven Piedmont haar katoenproductie met 377 % vermeerderde, terwü'1 dit voor de Black Belt nog geen 100 % bedroeg. „This development is one of the noteworthy facts in the post-bellum history of the State," meent hü 2»).

Op de volgende wüze hebben wü' getracht een voorstelling te verkrü'gen van het binnendringen der katoen na den oorlog in de „blanke" bovenlanden. In de Boven Piedmont van South Carolina werden twee counties genomen, Spartanburgh en Greenville, evenzoo in de overeenkomstige deelen van Georgia en Alabama de counties Banks, Forsyth en Hall in den eersten Staat, Cherokee en Blount in den tweeden. Al deze counties liggen dicht bü' den bergvoet, werden in 1860 door een overwegend blanke bevolking bewoond, en bevatten geen groote steden. Verder hing de keuze van het toeval af. Er is geen reden om aan te nemen dat zü niet typisch zouden zün voor de Boven Piedmont, de toestanden in de geheele sectie waaruit deze steekproef genomen werd, komen zeer met elkaar overeen. Alleen behooren de in Alabama gekozen counties eigenlijk reeds meer tot de bergen en het lengtedal dan tot de Piedmont. Een berekening voor het geheele Boven Piedmont gebied kon in den beschikbaren tijd niet plaats hebben. De absolute cüfers uit de landbouwtellingen van 1860—1920 werden gebruikt. De cüfers