is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Perc. met Perc. met Perc. met

telefoon. waterleiding. electrisch licht.

1 Iowa 84.2 24 0 21.4

2 Kansas 72.8 16.9 12.6

3 Nebraska 72.5 29.6 16 5

4 Illinois 68.8 19.4 16 0

36 Texas 19.6 13 9 4.6

38 Tennessee 18.4 3.3 4.1

40 Arkansas 10.3 1.5 2.1

42 Alabama 7.6 2.0 2 5

43 N. Car 7.1 3.3 5.4

44 Florida 6.0 12.8 11.0

45 Georgia 5.8 3.1 2.9

46 Mississippi 5 1 18 1.5

47 S. Car 4.0 3.3 3.8

48 Louisiana 3.8 3.1 2.6

United States .... 34.0 15 8 13.4

den Burgeroorlog had de Zuidelijke plattelandsbevolking een levensniveau dat aanmerkelijk lager was dan dat der Noordelijke Staten. Wjj gingen de oorzaken daarvan na. Sindsdien is er veel veranderd in het Zuiden, en de grondslag van het boerenbedrijf is ook een geheel andere geworden. Men kan echter niet anders zeggen, dan dat, sinds de blanke boeren der Zuid Staten voor de markt zjjn gaan produceeren, de groote meerderheid van hen nooit in staat is geweest om zich te verschaffen wat in de rest der Unie „a living" zou worden genoemd. Deze toestand heeft zóó lang bestaan, dat men dit in het Zuiden als het normale beschouwt; het wordt er nauwelijks als een probleem gezien. Slechts een enkele maal heeft iemand daar een woord van protest laten hooren. In een opstandig artikel, dat algemeene bekendheid gekregen heeft en veel stof heeft doen opwaaien, schreef Holleman, die de boeren van Georgia kende door een vijfendertig-jarige ervaring als bankier, in de Atlanta Constitution van 27 September 1914:

„Pathetic, indeed, has been the life of the small landowner and the tenant farmer in Georgia and the South for fifty years. Courageous, honest, patiënt and long suffering. When shall they see light? When shall their burdens be lifted? In the springtime they go forth, and with „our brothers in black" set their hands to the plow. They bend their backs to the burden, and when the frost falls, they have added $ 1.000.000 to the wealth of the world. But small, indeed, is their share, and meager the recompense to them. Every two years... they move from one place to another. They build no homes, they live in rude huts, no flowers about their dwellings, no trees to shade them from the sun, consumed by the summer's heat and chilled by the winter's cold, no lawns about their houses, no garden fences, and with the accursed cotton plant crowding the