is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afhankelijk wordt gemaakt. Alle daar genoemde redenen maken het tevens tot ideale gewassen om door een onbekenden en wellicht onbetrouwbaren pachter verbouwd te worden, en nevens die hebben nog andere oorzaken er toe bijgedragen om de „cash crops" tot de „tenant crops" te maken. Katoen en tabak vragen weinig bedrijfskapitaal, de menschelijke arbeid is er hoofdzaak bjj. In Amerika: „It is the type of farming which requires a large investment and a long time to realize on the investment ■that is shunned by tenants and undertaken mostly by owners" 13B). Dit geldt voor de geheele Unie, maar de volkomen bezitslooze pachter kan slechts in de katoen- en tabakslanden gevonden worden. De pachter in de Corn Belt b.v. heeft een eigen kapitaal van duizenden dollars noodig. Door de waardeering van de Zuidelijke handelsgewassen als onderpand en de wettelijke bescherming door „lien laws" van wat er op voorgeschoten wordt, kunnen de pachters in normale tijden altijd gefinancierd worden, ook al bezit de eigenaar niets dan het land en. de huisjes erop. Beide produkten geven een hoog acrerendement, zün onmiddellijk in den herfst te verkoopen, kunnen door ongeschoolden en moeten door weinig eischenden arbeid voortgebracht worden. Met wat vroeger reeds opgemerkt werd, maakt dit heel begrüpehjk waarom de landeigenaars, vooral de uitwonende, er op gesteld zün, dat hun pachters zich op de handelsgewassen toeleggen.

In de Cotton Belt schijnt het regel te zyn, dat het door deelpachters bebouwde land een hooger marktwaarde per acre heeft dan de grond die door eigen-boeren wordt bewerkt. Tevens kan men uit censuscijfers van verschillenden aard136) berekenen, dat een veel grooter percentage van het land in de eerste groep ontgonnen, „improved" is. Daar Zuidelijke pachters stellig niet door betere bebouwingsmethoden hun land die hoogere waarde geven, moet besloten worden dat dit laatste öf een gevolg is van den meer volledigen staat van ontginning, öf doordat zij over het geheel het betere land ter bewerking krijgen — wat zou kloppen met de hooge correlatie van pacht en geldgewas — öf door beide omstandigheden. In elk der twee gevallen is het echter een aanduiding, dat de aanwending van zooveel goedkoopen arbeid van landloozen het land meer waardevol maakt. Immers, ook als het van nature van betere kwaliteit is, maakt toch slechts de goedkoope arbeid der pachtersgezinnen een groot oppervlak van katoen, c.q. tabak, mogehjk, de gewassen dus die een hooge acre-opbrengst geven. Terzelfder tijd echter hebben zü, die dezen arbeid leveren, zich met een lager levens-