is toegevoegd aan uw favorieten.

De landelijke arme blanken in het Zuiden der Vereenigde Staten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p. 402—105 en passim; Olmsted, c), pp. 139 ff., 197 ff., 205, 220, 226—228, 258—259, 367—359; Phillips, f), Vol. II, pp. 185 ff.; H. W. Pierson, In the Bruah; or Old-Time Social, Political, and Religious Life in the Southwest. New York: Appleton and Co., 1883. Passim; Robert Russell, North America. Agriculture and Climate. Edinburgh: Black, 1857. pp. 160—161; Smedes, pp. 65—68; F. D. Srygley, Seventy yeara in Dixie. Recollections and saying8 of T. W. Caskey and othera. Nashville, Gospel Advocate Publishing Co., 1893. Passim; W. P. Strickland, passim. „The South os it is". Vol. I, p. 239, en verder die artikelenserie passim; F. E. Trollope, Domestic Manners of the Americans. London:. Whittaker, Treacher and Co., New York: Reprinted 1832. pp. 194—197; M. J. Welsh, „Recollections of Pioneer Life in Mississippi", Publicationa of the Mississippi Historical Society, Vol. IV, (1901), pp. 348—866.

64) W. C. Bryant, „A Tour in the Old South", in Parke Godwin, ed., Prose Writings of Wüliam Cullen Bryant, Vol. II. New York: Appleton and Co., 1884. p. 30.

66) Groote eenvoud en zelfs armoede was ook in de pine barrens niet altijd synoniem met inertie en zorgeloosheid. Groepen arm „piney woods people" die op gunstige wijze beschreven worden, vindt men ook. Behalve 'om \dé redenen die wü in de Inleiding gaven, citeeren wü hier en op andere plaatsen uitvoerig, om een indruk te geven van de groote verscheidenheid in het Zuidelijk volksleven, waaraan de algemeené literatuur en de traditie zoo onvoldoende recht laten wedervaren. In Mississippi wordt een groep „squatters" op regeeringsland vermeld, die, hoewel erg arm en onopgevoed, toch niet de gewone vuile slordigheid van poor whites hadden. Zü „maakten" een baal of twee katoen, om geld voor het noodigste te kragen. „They had no cotton-gin but separated the seed from the lint with their fingers. The women spun and wove by hand; with bark and roots of different kinds they dyed the cloth intended for the men, but for other purposes it was ' left in its native whiteness". De geheele indruk van de woninginrichting was „neat and pleassing". Toch was er met de gezondheid van deze menschen ook wel iets niet in orde, want „the hair of the children was, up to the age of ten years, as light as to be ahnost white; it looked like the mowy silvery hair that comes with great age". Zü ontkleedden zich niet als zij ter ruste gingen en „were qui te startled at the first sight of a lady in a night-gown". . . . „the inquiry was made if the old lady thought she was going to die. They thought that she was attiring herself in a shroud." Deze lieden hadden niet veel aanraking' met de wijde wereld. Een van hen was zoo trotsch op den eenigen brief dien hü in zijn leven ontvangen had, „that it was posted upon thé inside of his door. Here, year by year, we read it." (Smedes, p. 113).

66) De Bow, a), vol. XXXI, Oct.—Nov., 1861. p. 868.

67) Dit waren vooral de counties Robeson, Moore, Cumberland, Bladen, en Richmond. Olmsted schreef er over vóór den Burgeroorlog, a), pp. 866—357, en Macrae kort erna, Vol. I, pp. 272 ff.

68) G. G. Smith, The Story of Georgia and the Georgia People. Macon, Ga.: Smith, 1900. pp. 224, 292.

89) George White, Statietics of the State of Georgia. Savannah: Williams, 1849. pp. 116—117.