is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kerk wel „weet, dat de Leeraar aan niets dan aan den Bijbel gebonden is."*)

Aan den Bijbel als openbaring Gods hield men vast, hoewel men de oude inspiratieleer „een bekrompen denkbeeld" 2) heette. Dat men aan den Bijbel niet in den zin der Reformatie goddelijk gezag toekende, blijkt reeds uit „de houding, die men aannam tegenover de accomodatietheorie, volgens welke Jezus en Zijne apostelen zich in vele opzichten hadden geschikt naar de dwalingen hunner tijdgenooten, die nog niet in staat waren de volle waarheid onomhuld te aanschouwen."3)

In haar opvatting van den Christus was de Oud-Liberalistische theologie Ariaansch. Men beleed een voorbestaan van Jezus in den hemel, maar niet van eeuwigheid. De Geest van Jezus was het eerst geschapene door den Vader, minder dan de Vader en aan Hem ondergeschikt, en alleen uit oorzake van innige vereeniging met den Vader God te noemen.

Op grond van zijn deugden, in 't bijzonder zijn wijsheid en zondeloosheid, moet Jezus „een goddelijk mensen" geweest zijn. Verder dorst men niet gaan; „voor elke nadere bepaling van de bijzondere betrekking tusschen God en Jezus deinsde men terug." Men gaf er de voorkeur aan deze als een ondoordringbaar geheim te beschouwen. Ook over de verzoeningsleer sprak men zich niet duidelijk uit. Velen „hielden het verband tusschen het lijden en den dood des Heeren voor onoplosbaar" en waren van meening,'dat in de schriften des N. V. daaromtrent niets bepaalds geleerd wordt." Men hield aan de noodzakelijkheid van het lijden en sterven des Heeren voor onze schuldvergiffenis en zaligheid vast, maar trachtte niet het verband te doorgronden. Het was geen levend leer-

*) Dr. H. Bouwman, De Bazuin. \6 Juli, 1921, bl. 28. ■) Dr. K. H. Roessingh, Het Modernisme in Nederland. Volksuniverriteittbiblioth. Haarlem, 1922.

*) Dezelfde, Mod. Theol. in Ned, bl. 16.