is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

chie magtig (zijn) tegen het rijk des lichts,"*) was in het leven geroepen door „heerschzucht aan de eene, grove onkunde in de doeleinden van Jezus aan de andere zijde."2) Halbertsma zag in haar een menschelijke instelling, „die hare magt ter voldoening der schandelijkste driften zoovele eeuwen achter elkander in het verslaven van den menschelijken geest misbruikt heeft"3) en die „onder den titel van knechten der knechten koningen en volken omstrikte."4) Dat ondanks deze priesterheerschappij, ondanks de onderdrukking van het gezond verstand, de Roomsche religie zoo vele aanhangers telde, schrijft hij toe, behalve aan de „Roomsche domheid,"6) aan een zucht van de menschen om „het geheimzinnige en onbegrijpelijke in den godsdienst" 6) te zoeken. Voor het volk acht hij dit te verstaan. „Credo quia absurdum is een diepzinnig gezegde van den Jesuïet,"T) zoo zegt hij. ) Maar van zichzelf getuigt hij, dat hij „het geloof altoos in harmonie (heeft gebracht) met het gezond verstand."9)

* Scherp keert Halbertsma zich tegen de orthodoxie. Deze was hem te zeer „besmet met den geest van Calvijn, wat het stugge en sombere betreft".10) Calvijn, „met zijn izegrimmig humeur" ") had van „het Christendom in leer en praktijk een treurig, afstotend, grijnend ding gemaakt.

*) MS. 166, bl. 144, 14$.

s) De Doopsgez. enz, bl. 247.

3) ld, bl. 204.

4) ld, bl. 247.

») MS. 166, bl. 102.

6) ld, bl. 338.

7) ld, bl. 338.

8) Halbertsma schrijft ten onrechte deze spreuk aan een Jezuïet toe. Ofschoon ze in den zin, die er sinds de 17de eeuw aan gehecht wordt, bij geen van beiden gevonden wordt, wordt ze gewoonlijk op rekening gesteld óf van Tertullianus óf van Augustinus. (Zie: Die Religion in Geschichte und Gegenwart3, I S. 1741).

9) MS. 166, bl. 227. 10) ld, bl. 247.

") ld, bl. 142.