is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„scheppingen van den volksgeest" eerbied heeft. Dezen eerbied voor alles, wat op „organische" wijze uit het volksleven ontstaan is, heeft Jacob Grimm (1785—1863) met Von Humboldt gemeen. Onder invloed der Romantici, wier gebreken hij echter ten deele weet te vermijden, legt Grimm zich toe op de studie van de Germaansche oudheid en de Germaansche talen. Van zijn vele voor de germanistiek zoo belangrijke werken noemen wij hier alleen zijn Deutsche Grammatik (1829); de 2de uitgave, waarin hij zijn bekende klankverschuivingswetten ontwikkelde, verscheen in 1822. In de voorrede op deze uitgave geeft hij „het eerste duidelijke program van die historische school, die sinds dien de heerschende is geweest in de linguistiek." *)

Over zijn taalbeschouwing nog het volgende: de taal is een uiting der menschelijke natuur en daarom wil Grimm van voorschriften in de taal niets weten. Haar wetten moet men ontdekken door waarneming, welke hij „als die Seele der Sprachforschung"a) beschouwt. „Wer nichts auf wahrnehmungen halt, die mit ihrer factischen gewisheit anfangs aller theorie spotten, wird dem unergründlichen sprachgeiste nie naher treten."3) Deze „sprachgeist," die ook „ein unbewust waltender"4) is, beheerscht de taalontwikkeling.

Grimm gelooft aan een schepping, maar om de theorie van de bovennatuurlijke schepping der taal te bestrijden, betoogt bij, dat de goddelijke kracht in alle dingen is en juist daarom er ook niet buiten. De verhouding tusschen de natuurverschijnselen onderling is dezelfde als die tusschen God en de natuur.

*) Jespersen, Language: its nature, development and origin3, London, 1923, p. 43.

a) Deutsche Grammatik2, 1822, VI. a) ld.

4) Ueber den Urspr. der Sprache*, Berlin, 1852, S. 38.