is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der gedachten, spiegelt zich het zuiverste en vurigste beeld van het individu, volk en stam af, omdat het 't geestelijk beeld is. De mensch drijft zijn bijzonder leven in de taal in en doet het er in ademen." *) Daarom, „wie de taal verklaard heeft, is in het geheim van de wijze, waarop onze geest zich de dingen voorstelt en sluitredenen maakt."3)

Uit het bovenstaande volgt onmiddellijk, wat naar H a 1 b e r t s m a's gedachte de taak van den grammaticus moet zijn. Zooals het de plicht van den natuurvorscher is de wetten te vinden, volgens welke de spin hare netten weeft, „zoo is het de hoogste en laatste roeping van den grammaticus, om de wetten, volgens welke de analogia innata zich uit, te verspieden, en in plaats van de regels zijner willekeur aan de taal op te dringen, voor die wetten, als de stem der godheid in den mensch, eerbiedig het hoofd te buigen." (2) Hij moet „de diepten van het instinct, waar de taal onwillekeurig uit opwelt, zoeken te peilen en bloot te leggen; daaruit moet hij de verschijnsels in de taal zoeken te verklaren en de analogie te vestigen, volgens welke zij als een geheel te zamen werken."8)

Wat Halbertsma hier met de taal bedoelt, is vooral de volkstaal, die „de som der uitdrukking van allen in zich heeft opgenomen, en als het ware de nationale bewaarplaats van de omkleedsels der denkbeelden is" (4) en bijgevolg volkomen voldoende om alles wat er in het volk, in den ruimsten zin genomen, leeft, weer te geven. Bij de voortgaande ontwikkeling en beschaving van een volk is er echter naast de volkstaal een taal der fatsoenlijke kringen ontstaan, „die geene andere woorden en phrases aanneemt dan die door haar geijkt zijn."4) In

*) Niet genummerd MS.

2) MS. 10, bl. 16.

3) ld., bl. 15.

4) ld., bl. it.