is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de reden, dat „Tollens onmiddellijk na zijnen dood met een standbeeld en een grafnaald tegelijk vereerd werd," terwijl „de standbeelden van Vondel, de beide Van Harens en Bilderdijk nog te zoek zijn." *)

In zijn beschouwing van Bilderdijk, aan wien hij in vele opzichten herinnert, was Halbertsma de meesten zijner tijdgenooten verre vooruit, zooals trouwens zijn meening over de dichtkunst zijner dagen in 't algemeen door het nageslacht bevestigd is. Hem noemt hij „dy greate onforjitlike Bilderdyk";2) op het terrein der poëzie „zo groot en zo miskend tevens, dat zijn tijd- en landgenooten, indien het gevoel der eer nog in hunne boezems glimt, wel mogen sidderen voor het oordeel der nakomelingschap."3)

Aan welke eischen moet nu volgens Halbertsma de ware poëzie voldoen? Over den vorm laat hij zich weinig uit, behalve enkele toespelingen op „gemakkelijke versificatie", „gladheid van maat"4) en dergelijke. Wat de inhoud betreft, vindt hij, dat de dichtkunst, zich wach^ tende voor „winderige kost", iets geven moet, dat „de springveren van (het) denkvermogen in beweging zet, terwijl het de verbeelding ontgloeit, streelt en veredelt;"6) dat „de kundigheden op de wieken der poëzij aanvoert, en (de) ziel zal verheffen tot die grootsche gevoelens van eer en vaderlandsliefde, die Burgers, die Nederlanders betamen."6) Zijn „dichterlijke verrukking" moet de dichter beteugelen door „gezond verstand," opdat ze nimmer ontaarde in „bombastische opstuivingen, die grenzen aan

*) De Vrije Fries IV, bl. 266. 3) Rimen en Teltsjes, bl. 180.

3) MS. 141. Verhandeling over Willem Bilderdijk. Jan. 1849, bl. 2;.

4) Moet het in dit licht bezien worden, dat in Halbertsma's eigen rimen de versificatie niet altijd onberispelijk is? Vgl. bl. xio.

5) Het Geslacht der Van Haren's, bl. 109. e) ld., bl. 109, 110.