is toegevoegd aan uw favorieten.

Dr. J. H. Halbertsma

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven, is het niet ondienstig na te gaan, door wie en hoe ^ hij deze wetenschap wil beoefend zien. Om een goed etymoloog te zijn, is het niet voldoende taalgeleerde te wezen; „geleerdheid is slechts het instrument; er wordt bovendien genie vereischt om met dit instrument te werken. Indien ergens, in de etymologie komt het te pas analogieën op te sporen, verwijderde betrekkingen met één blik te vatten, en de uiterste einden, tusschen welke gewone regelmatige verstanden geen verband zien, aan elkander te knoopen. Dit nu is het werk van het genie."*) Aan den anderen kant hekelt hij die etymologen, die „vervaarlijke overgangen van beteekenis" veronderstellen, welke niet verklaard worden „onder het voorwendsel van uit zich zeiven zoo duidelijk te zijn, dat er geen rekenschap van behoeft gègeven te worden," terwijl de ware reden is, dat „de overeenkomst slechts onbestemd en duister voor (hunnen) geest zweeft en (zij) in den doolhof geen scherp geteekend pad (zien) om van het punt van ingang tot dat des uitgangs te komen." Zelf daarentegen heeft hij altijd getracht dat pad te vinden. „Zooveel mogelijk," zoo zegt hij, „heb ik geenen enkelen stap overgeslagen. Ik ben meest voetje voor voetje voorwaarts getreden, tot dat ik het bedoelde punt, het verklaarde woord, bereikt had. Ik heb alle mij bekende taaltakken op schatting gesteld, en er die bèteekenissen des woords uitgekipt, die als zoo vele schalmen eene keten van beteekenissen vormden, leidende van het thema tot het gevraagde woord.... Met de beteekenis is de vorm des woords ten allernaauwste verbonden, en terwijl ik de schalmen der beteekenissen tot een keten samenknoopte, heb ik tegelijkertijd op de vroegere vormen gewezen, waaruit de tegenwoordige gesproten is.... Met één woord, mijn streven is steeds daarheen gericht geweest, dat mijne woordverklaringen in beide opzichten

*) Alg. Letterk. Maandschr. 1848, bl. a.