is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland en Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem met zorg, ook als hij, (sinds '24) als gezant te Londen de gang van zaken uit de verte gadeslaat1.

Na het uitbreken van de opstand is hij er al spoedig van overtuigd, dat tegenstand bieden nutteloos is, hoezeer het hem ook aan het hart gaat.

11 September schrijft hij aan zijn boezemvriend D. J. van Lennep: „Er zijn waarschijnlijk niet vele menschen in Nederland die deze naderende scheiding van Noord en Zuid met zoo leede oogen zien als gij en ik. Zeker zijn er weinigen die zoo vroeg het denkbeeld der vereeniging opgevat en gekoesterd hadden. Het is tenminste al achttien jaar geleden dat wij ons over dat schoone probleem voor het eerst onderhielden en hoe dikwijls, sedert dien tijd, hebben de omstandigheden het aanschijn gehad alsof het op een voldoende wijze en voor altijd gesolveerd was ? De uitkomst is nu anders, maar noch door uwe schuld, noch door de mijne; — een geringe troost, ik erken het, in vergelijking met de smart die men gevoelen moet op het herdenken aan zoovele moeite en arbeid, jaren lang en hoewel niet immer even doelmatig echter steeds met de beste bedoelingen aan het welzijn der provinciën besteed. In de Zuidelijken staat nu de vrucht van dat alles grootendeels verloren te gaan. A, I'JL*zJ Ik beklaag ze doch habent quod sibi imputent"2. Na uiteengezet te hebben hoe hij de toekomst ziet en wat hem voor Nederland het beste lijkt, zegt hij: „Gij ziet uit dit alles dat ik Antwerpen niet wil hebben al mogt het begeeren bij ons te blijven; Maastricht daarentegen spreekt van zelve"....

Tien dagen later neemt hij deze woorden weer eenigszins terug, als hij hoop heeft dat de „stoute kinderen" met administratieve en judicieele afscheiding tevreden zullen zijn, en de houding van het leger en het gedrag van die van Gent en Antwerpen hem meevalt. „Hieruit blijkt dat men toch die vijftien jaren niet vergeefs aan de ineensmelting gewerkt heeft, en hoe jammer indien dat alles nu, ten believe van eenige Waalsche warhoofden, vruchteloos werd!"3

Maar eind September heeft hij, „na eenige bange dagen en nachten treurig en pijnlijk te zijn doorgeworsteld"4 zijn partij

1Falck, Gedenkschr., bl. 28}. Brieven van A. R. Falck, 2de druk, bl. 223, 230, 248, 281, 287. * Brieven, bl. 293. * bl. 297. * Falck, Gedenkschr. bh 307.