is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland en Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standpunt te winnen, in Juni '47 een brochure in het licht gegeven, De Vlaemsche Beweging, een woord oen het Publiek en oen de Vlaemsche Schrijvers1. In het Septembernummer van De Tijdspiegel, een maandblad van algemeene inhoud, werd een artikel opgenomen over Hendrik Conscience en de Vlaamsche Letterkunde*, waarin eersteen overzicht werd gegeven van de moeilijkheden waaronder die letterkunde te lijden had, ten einde te kunnen komen tot een juist oordeel over de werken van Conscience. Dit werk werd vervolgens behandeld en over het algemeen geprezen. Aan het slot komt het geschriftje van Van Kerckhoven ter sprake, waarin Conscience beschuldigd wordt „de partij des vooruitgangs en der verlichting voor die van terugwerking en dweepzucht te hebben verlaten, en de geestelijke magt te hebben willen believen, die niets zoozeer beoogt, dan om zich geheel meester van het bestuur in België te maken." De recensent acht het moeilijk te beslissen in hoeverre deze beschuldigingen juist zijn. „Wij kunnen niet ontveinzen, dat in de tweede uitgave van het Wonderjaar, en in sommige kleine verhalen van den heer Conscience een zeer sterke eerbied voor de RoomschKatholieke godsdienst en hare geestelijkheid doorstraalt; maar of dit aan eene godsdienstige overtuiging, dan wel aan een overgang tot de priesterpartij zij toe te schrijven, kunnen wij niet stellig bepalen, evenzoo min als of zijn afschuw voor vreemde en vooral Fransche zeden, uit een echt nationaal gevoel van onafhankelijkheid, dan wel daaruit voortspruit, dat hij ook daarin de geestelijkheid wil believen, die om haren invloed in België staande te houden zoo zeer tegen de Fransche taal en den invloed der Fransche zeden en letterkunde ijvert. Wij wenschen voor de eer van Conscience dat het eerste bij hem het geval moge zijn, en dat hij, die zich eerst als een warm voorstander van eene gematigde vrijheid en nationalen vooruitgang deed kennen, zich niet zal verlaagd hebben, eene partij te dienen, die op onkunde en bijgeloof in België een gezag tracht te vestigen dat op niets anders uitloopen kan, dan op nieuw daar onrust en tweedracht te voeden, en de bronnen te verstoppen, waaruit de volksverlichting en voorspoed voortvloeijen. Een man als Conscience zal, hopen wij, zich hieraan niet schuldig maken.

'Antwerpen, Juni 1847.

* Tijdspiegel 1847 n, bl. 237-243.