is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland en Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zien dus in de tegen hem uitgekomene brochure vooreerst nog niets anders dan de vrucht van een' verkeerden staat of letterkundigen naijver, en verwachten van de volgende voortbrengselen van zijnen werkzamen geest de volkomene oplossing van een vraagstuk, dat ons leed zoude doen indien het ten nadeele van den heer Conscience, en dus ook van de Vlaamsche letterkunde werd opgelost!"

Als antwoord hierop zond van Kerckhoven een open brief aan de uitgever van De Tijdspiegel1. Hij komt daarin op tegen de beschuldiging van verkeerde staat- of letterkundige naijver, en noemt zijn daad, het schrijven van de brochure over de Vlaamsche Beweging, een droevige taak, hem door zijn geweten als plicht opgelegd. „Dat het bloodeggen der daedzaken, in mijne brochuer vervat, in Holland vreemd schijnt, verwondert mij niet; want met welke belangstelling men aldaer ook onze letterkunde gadeslaet, heeft het mij toch altijd toegeschenen, dat die belangstelling meer op het grammaticale dan wel op de zedelijke strekking der letterkunde gevestigd was, meer op de beschaving der tael dan op die der zeden, meer op de letter dan op den geest". Na al zijn grieven tegen Conscience opgenoemd te hebben, tracht hij met een citaat uit de Kölnische Zeitung aan te toonen, dat men in Duitschland beter dan in Nederland de toestand der Vlaamsche Letterkunde begrijpt, en komt dan terug op den verkeerden naijver, die hem ten laste is gelegd. „Hoe onaengenaem het mij ook gevallen is die verdenking aen het publiek medegedeeld te zien, kan ik het toch van den schrijver des artikels niet al te euvel opnemen. Hij kent noch den heer Conscience noch my en het mangelt hem klaerblykend aen noodige inlichtingen om een gegrond oordeel over Belgische letterkunde en Belgische schryvers te stryken. Moeyelijk kan men in Holland weten, hoe het by ons te lande met de partyschappen gelegen is, in welke verhouding de Vlaemsche letterkunde met de politiek staet en welk kwaed onze litteratuur zou stigten indien zy in eene valsche rigting gedreven werd, indien zy de strekking van mannen zooals den heer Conscience konde volgen."

Nog eenmaal werd in De Tijdspiegel de aandacht op deze

1 Tijdspiegel 1847II, bl. 558-362. „Aen den Heet Uitgever van den Tijdspiegel, over H. Conscience en de Vlaemsche Letterkunde."