is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland en Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vierde Hoofdstuk DE NEDERLANDSCHE CONGRESSEN

ToenGerritde Clercq in 1848 aan Snellaert schreef, dat in de gebeurtenissen van dat jaar misschien de kiem lag van toenadering tusschen Noord en Zuid1, was het eerste Nederlandsche. letterkundig congres, dat een blijk van deze toenadering zijn zou, al in voorbereiding. Het denkbeeld, Nederlanders en Vlamingen op deze wijze tot elkander te brengen, is dus geen gevolg van de schokken van het revolutiejaar, waardoor de zelfstandigheid van de Belgische en misschien ook van de Nederlandsche staat een oogenblik bedreigd scheen. Ook niet I van een toch nog maar bij enkelen en in vage vorm doorbrekend ( besef van nationale saamhoorigheid. Al hebben deze beide factoren wel invloed gehad op het slagen van het congres, de oorsprong ligt elders, in het contact dat ontstaan was tusschen de Noord- en Zuidnederlandsche taal- en letterkundigen, tot elkander gebracht door hun belangstelling voor het gemeenschappelijk bezit, de Middelnederlandsche letterkunde.

Van dit deel der letterkundige nalatenschap onzer voorvaderen was in Nederland lange tijd al heel weinig notitie genomen2. Onder invloed van HofFmann von Fallersleben, die de studie van het Middelnederlandscn" zoo verbazend veel vooruit heeft gebracht, en bij zijn bezoeken aan Nederland om handschriften op te sporen ook met de taalgeleerden hier in aanraking kwam, was daarin wel eenige verandering gekomen, maar de beoefening van het Middelnederlandscn werd toch nog beschouwd als een Hefhebberij, die met de wetenschap weinig te maken had.

Anders werd dit, toen de mannen van de „Nieuwe School" van „de partij van beweging" aan den arbeid gingen. De Vereeniging ter Bevordering der oude Nederlandsche Letterkunde, in 1843 opgericht door J. Tideman en P. J. Vermeulen, en waarin De Vries en Jonckbloet al gauw de leiding kregen, be-

1 Zie bijlage V.

* Zie biervoor ea voor het volgende H. de Buck, De Studie van het Middelnederlandscn tot in het midden van de 19de eeuw, Groningen 1930, in het bizonder Hfdst. VII.