is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland en Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handeling voor Over den stand en de eischen onzer gemeenschappelijke moedertael. Hoewel deze rede blijkbaar niet zeer in de smaak der toehoorders viel, is hij toch daarom belangrijk, omdat de spreker onder de middelen om tot eenparigheid en geüjkvormigheid van taal te geraken, ook noemde het samenstellen van een woordenboek. In het debat werd door Snellaert en Thijm dit denkbeeld verder ontwikkeld, met het gevolg, dat een tiental personen uit Noord en Zuid werden uitgenoodigd, hun gedachten over deze zaak te laten gaan, en op het eerstvolgende congres daar rapport over uit te brengen. Hier zien wij de eerste steen gelegd van het eerbiedwaardig monument, het Woordenboek der Nederlandsche Taal.

Als derde spreker uit het Noorden trad op een boekhandelaar uit Leeuwarden, Suringar. Hij besprak een zeer netelige kwestie, die bij de Nederlandsche boekhandel een wrok tegen de Belgische had doen ontstaan, n.1. de nadruk, die in België welig tierde. Van Noordnederlandsche zijde werd dat absoluut afgekeurd, maar door de Vlamingen bij monde van Snellaert verdedigd op grond van het belang, dat zij er bij hadden, wanneer Nederlandsche boeken in Vlaanderen niet al te duur waren; het misbruik, dat er van gemaakt werd, n.1. dat deze in België gedrukte boeken in Nederland werden verkocht, keurden ook zij af. Het resultaat was dat een commissie benoemd werd, die een onderzoek moest instellen naar de beste middelen, om te geraken tot verruiming der betrekkingen tusschen Zuid- en Noordnederlandsche boekhandelaren.

Is dit eerste congres dus al van beteekenis te noemen om de voorstellen die er zijn gedaan, de plannen die er zijn ontwikkeld, belangrijker was toch nog iets anders. Het ijs was gebroken. Nederlanders en Vlamingen, die elkander tot die tijd wat schuw en met herinnering aan de scheiding bezien hadden, waren nu tot de ontdekking gekomen dat zij gemeenschappelijke belangen hadden, hadden bemerkt dat eenheid van taal een onverbrekelijke band vormt, welke factoren het nauwer aanhalen van die band ook mochten beletten. De voorzitter sprak dit uit in zijn slotrede, toen hij — blijkbaar Bosscha citeerende — sprak van 1 het verschil tusschen volkseenheid en staatseenhfeid, de laatste 1 het werk van menschen, de eerste van God, en onder groote ' geestdrift der vergadering verkondigde, dat de groote Mogend-