is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland en Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo was de situatie inderdaad. En dat verschil in opvatting komt wel heel duidelijk uit op het volgende congres, in 1865 te Rotterdam gehouden. Daar werd door twee sprekers, een 7 ^ NoorH-Nederlander en een Vlaming het woord gevoerd over de congressen. Het eerst sprak De Jager. Als titel van zijn rede had hij gekozen: Het achtste Taalcongres, eene stofje tot bemoediging1. Hij overzag de zestien jaren, verloopen sinds het eerste congres en beschouwde de resultaten, de goede invloed die zij hadden gehad op de studie van taal- en letterkunde, de voordeden der persoonlijke kennismaking van Nederlanders en Vlamingen, die tot onderlinge waardeering moest leiden. Of de congressen ook soms nog een andere beteekenis zouden kunnen hebben, of zij wel beantwoordden aan wat de stichters als doel voor oogen had gestaan, die vraag stelde hij niet. Maar tijdens de laatste zitting van het congres, toen er gdegenheid was tot het doen en bespreken van voorstellen, werd de kwestie door Vuylsteke op het tapijt gebracht. Eerst zeide hij eenige waardeerende woorden over De Jagers rede, maar vond in het feit dat men het noodig geoordedd had het congres met een woord van bemoediging te openen, — een bemoediging die hij persoonhjk wel noodig had — aanleiding tot de vraag, of het niet gewenscht zou zijn eens een nieuwe weg in te slaan en te trachten de congressen meer practisch nut te geven. Hij ontwikkdde in den breede een plan tot hervorming, en stelde voor in het vervolg de congressen te splitsen in drie afdeelingen, een voor taal- en letterkunde en de boekhandel, een vóór geschiedenis en oudheidkunde, een voor tooneel en zang. Iets nieuws zou dit feitelijk niet zijn, want de eerste congressen hadden ook al deze onderwerpen op het programma gehad; alleen had men zich in de praktijk vrijwel tot taal- en letterkunde beperkt. Dan zouden de congressen ook ieder jaar gehouden moeten worden, en een bestendige commissie zou zorgen, dat de wenschen en besluiten van een congres niet zonder gevolg bleven en dat de voorbereiding van het volgende op tijd plaats had. De eenige die tegen dit voorstel in verzet kwam was Alberdingk Thijm. Hij ontraadde het vormen van afdeelingen en had vooral tegen die voor geschiedenis ernstige bezwaren. De algemeene geest van wdwillendheid, van humaniteit, die de congressen

•Handelingen 8ste congres, bL 29-34.