is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland en Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standen verbetering te brengen. En vooral legde hij er de nadruk op, dat de Haagsche vergadering opnieuw de eerbiediging en handhaving van het oorspronkelijke programma zooals die in de oproep tot het eerste congres was omschreven, aan de volgende regelmgscommissiën had opgelegd. „Deze stemming is gewichtig, het werk van ons Gentsch congres van 1867 is bevestigd en zal voortgezet worden; en het zal voortaan niet meer mogelijk zijn die vergadering te verkleinen tot eene kermis der ijdelheid, eene uitkraming van taalzifterijen, een paradeplaats voor geleerden en poëten die naar een lintje jagen. Dat alles zijn de congressen maar al te dikwijls geweest, al was de heer Snellaert, in 1849, namens de stichters, met klem tegen eene dergehjke afdwaling van eerst af aan opgekomen. „De congreszaal", zegde hij (Hand. blz. 13), „is geen paradeplaats voorgeleerden en poëten: het doel onzer vereeniging geldt het onderzoek. Het moet hier minder er op aankomen de vaderen te roemen, van herinneringen uit den gulden voortijd te leven, dan het vaderland, de nazaten eene schoone toekomst voor te bereiden, minder de ijdele eigenliefde te vieren dan het algemeen welzijn te betrachten". Die woorden, die ook op het Haagsch congres zijn herinnerd, heeft deze vergadering door haar besluit tot de hare gemaakt. Op ieder onzer, maar vooral op onze Leuvensche vrienden, die in 't aanstaande jaar het Congres binnen hunne muren zullen ontvangen, rust nu de plicnTom die woorden en dat besluit tot eene wezenlijkheid te maken".

Zoo zag hij het volgende congres toch nog hoopvol tegemoet; maar dat bleek in geenen deele een copie van het Gentsche, vertoonde veel meer gelijkenis met de daaraan voorafgaande. Al werd de splitsing in afdeelingen hier hersteld, de naam was weer: Taal- en Letterkundig Congres, en volgens het programma sprak het vanzelf, dat alle verhandelingen van godsdienstige of staatkundige aard buiten de werkzaamheden van een Taal- en Letterkundig congres vielen. De eenige die zich daaraan niet stoorde, en zoo nog wat leven in de Leuvensche brouwerij bracht, was Vreede. Zijn rede over Het recht der taal en andere aloude Nederlandsche vrijheden, ons bolwerk tegen iedere verfransching of verduitsching gaf hem een schoone gelegenheid op de gevaren te wijzen, die hij op dat oogenblik vooral van Duitsche zijde zag dreigen, en op te komen tegen de neiging,