is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de Leidsche hoogeschool opgeleid zouden worden1). Dergelijke overeenkomsten werden ook door andere steden aangegaan.

Het aantal leerlingen, dat naar het hooger onderwijs overging, bleef intusschen gering, in Haarlem bedroeg dit aantal tusschen de jaren 1575 en 1602 totaal 55; zoodat gemiddeld twee leerlingen per jaar naar het hooger onderwijs overgingen2).

Het verband, dat sedert den opstand tusschen de Latijnsche school en de Hervormde kerk bestond, werd geleidelijk losser, tot de groote omwenteling het geheel verbrak8).

Reeds boven werd er op gewezen, dat het onderwijs der Latijnsche school, geboren uit kerkelijke en bepaalde wetenschappelijke behoeften, de algemeene onderwijsbehoeften niet kon bevredigen. Het opkomen van andere onderwijsinstituten was echter niet gemakkelijk en werd uit eigenbelang en traditie tegengehouden, eigenbelang, zoowel van de rectoren als van de steden. Daar de eersten gedeeltelijk van het bedrag der schoolgelden moésten bestaan en de laatste, indien het bedrag van het minerval niet voldoende was, een hooger salaris moesten uitkeeren om personeel te kunnen krijgen, werd het belang van beide categorieën gediend met een voldoend aantal leerlingen. Met dezelfde bedoeling bezat de Rector het monopolie om privaatlessen in het Latijn te geven. Wel werd hierop soms een uitzondering gemaakt voor hen, die kostleerlingen in huis hadden, doch dan moesten ze per leerling voor het verwerven van een dergelijk voorrecht een zeker bedrag aan den Rector betalen. Ook ontving de rector van Alkmaar van het gemeentebestuur „eenen braspenning, voor elcken vreemden clerck ende scholier van buyten, niet mendieerende noch om broot gaende"4). Door deze van buiten komende leerlingen werd het gemeentebelang in voldoende mate gediend om een aanmoediging te rechtvaardigen. Ten tijde van rector Murmellius (1513—1517) werd het aantal buitenleerlingen op* honderden geschat6).

Het oprichten van scholen buiten de „groote" school was dan ook verboden, en zoo het werd toegestaan, dan geschiedde het toch slechts met beperkende bepalingen. In een stadskeur van 1420 werd b.v. bepaald, dat niemand een andere school mocht houden buiten de „Groote Schole" en dat niemand op straffe

x) Dr. A. M. Garrer, p. 23.

!) Dr. A. M. Garrer, p. 31.

*) N. J. M. Dresch, p. 12.

«) Dr. A. M. Garrer, p. 12.

») N. J. M. Dresch, p. 7