is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had na de hervorming voor het Calvinistisch Nederland alle beteekenis verloren; ze bleef echter door de traditie voor het hooger onderwijs gehandhaafd1). Deze traditie deed de kerkelijke en wereldlijke overheid de officieele school krachtig in bescherming nemen tegen de invloeden van den tijdgeest.

Ofschoon de „bijscholen" zich niet alleen handhaafden, doch meer en meer terrein veroverden, moet men zich van deze scholen geen te hoog denkbeeld vormen. Valcoogh, die zijn „Regel der Duytsche Schoolmeesters in 1591 uitgaf, vond 400 leerlingen voor een schoolmeester niet te veel, nog in het begin der 19de eeuw verzette het gilde der schoolmeesters te Haarlem zich tegen het verstrekken van nieuwe verloven om scholen op te richten, omdat er reeds te veel schoolmeesters waren. Voor eiken schoolmeester waren er n.1. niet meer dan 200 leerlingen.

In de „bijscholen" werd onderwijs gegeven in lezen, schrijven, rekenen en zingen, soms in Latijn of in een of meer moderne talen. Meestal zal het met de kennis der schoolmeesters niet te best gesteld zijn geweest*). Onvoldoende ontwikkeling bij de docenten, slechte organisatie, geen of weinig controle, geen eenheid tusschen de verschillende instituten, geen bepaalde eischen bij het eindexamen, dit waren behalve vele andere de gebreken, zoowel van de „bijscholen" als van de Latijnsche school. Eerst na eeuwen zou door betere organisatie, betere personeelsopleiding, betere controle en hoogere eischen bij het eindexamen de constructieve opbouw onzer volksontwikkeling komen. Doch hoeveel tegenstand 'zou hiervoor overwonnen moeten worden, hoeveel studiecommissies ingesteld, rapporten geschreven, wetsontwerpen ingediend!

Het is van beteekenis er op te wijzen, dat in de „bijscholen" het begin van het middelbaar onderwijs moet worden gezocht. Zooals reeds boven werd gezegd, stonden zij met haar praktisch maatschappelijk onderwijs, met haar opleiding voor handel en bedrijf, tegenover de Latijnsche scholen, die een opleiding voor den „geleerden stand" wilden geven. Nog in 1863 zou Thorbecke zijn Middelbaar-onderwijswet op deze tegenstelling baseeren, aan de Hoogere Burgerscholen de eerstgenoemde doelstelling geven en de Latijnsche scholen en gymnasia niet in de wet opnemen, omdat hij een afzonderlijke opleiding voor „den geleerden stand" met onderricht in het Latijn als grondslag noodig oordeelde.

*) Idem, p. 54.

a) Zie Dr. P. A. de Planque, Valcoogh's Regel der Duytsche Schoolmeesters, 's Gravenhage 1926, met een uitvoerige en belangrijke inleiding.