is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betering aan de hand, doch kon het over een vast plan niet eens worden. Wel wilde men algemeen aan de moderne talen en de natuurwetenschappen een veel grooter aandeel in het voortgezet onderwijs geven, doch de meeste leden wilden niet overgaan tot de stichting van twee schoolvormen, een voor hen „die zich aan de geleerdheid wijden, de andere voor hen, die zich niet tot deze bepalen". Ook van de andere plannen der commissie kwam door de abdicatie van Lodewijk Napoleon niets tot stand.

Het zou te ver voeren de pogingen te vermelden, die gedurende de inlijving bij Frankrijk werden gedaan om tot een regeling van het voortgezet onderwijs te geraken i). Geen der ontwerpen voerde tot eenig praktisch resultaat.

Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat de pogingen om een inrichting voor voortgezet onderwijs te verkrijgen, waar de leerlingen behalve de klassieke ook de moderne talen en de beginselen der natuurwetenschappen konden leeren, aanleiding hebben gegeven tot de vestiging van „een Instituut van Fraaye wetenschappen" te Haarlem in 1810, te meer, omdat Adriaan van der Ende, die in Haarlem veel invloed had, ook in de regeling van het voortgezet onderwijs veel belang stelde. Dit instituut zou dienen „om de jonge lieden die de Latijnsche scholen frequenteren gelegenheid te geven ter bekoming van onderwijs in de wiskunde, oude en nieuwe aardrijkskunde, algemeene en vaderlandsche geschiedenis, tijdrekenkunde, algemeene christelijke zedekunde en de naastgebruikelijke hedendaagsche talen"2). Het instituut had een eigen Directeur, doch was nauw met de Latijnsche school verbonden. De Directeur woonde zelfs in het gebouw dezer school, terwijl de Rector een vergoeding voor het huren van een huis had aanvaard. De lessen van het instituut wisselden af met die der Latijnsche school, en slechts leerlingen dezer school konden het instituut bezoeken.

Dit instituut te Haarlem, een tegemoetkoming aan de onderwijsbehoeften van den nieuwen tijd, liep vooruit op een regeling van Koning Willem I. Op 2 Aug. 1815 werd n.1. een Koninklijke Resolutie uitgevaardigd, die de eerste algemeene regeling van het Nederlandsche voortgezet onderwijs is. De Resolutie werd afgekondigd naar aanleiding van het rapport eener Commissie bij besluit van 18 Jan. 1814 belast met het ontwerpen eener organisatie van het hooger onderwijs; de afkondiging geschiedde

i) Belangstellenden wijs ik op het bovengenoemde werkje van G. Bolkestein, dat na een zorgvuldig onderzoek der stukken werd geschreven.

«) Notulenboek van Curatoren der Hooge Latijnsche scholen van de stad Haarlem, Jury 1804—Jury 1830, p. 334.