is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T

Hoogere Burgerschool met 5-j.c. opgericht en hieraan een afdeeling Latijnsche school verbonden. Zoo had dus de school, die een halve eeuw geleden als bijschool van de Latijnsche school was gesticht, die haar onderwijsstof ontleende aan de realia der omringende wereld en van den nieuwen tijd en die zich richtte naar de maatschappelijke behoeften, zich in 'dien tijd van bijschool tot hoofdinrichting ontwikkeld, terwijl het met het instituut voor de studie der klassieke talen omgekeerd was gegaan.

Reeds meermalen werd er op gewezen, dat de onderwijsstof der nieuwe instituten of der nieuwe vakken van de Latijnsche school voornamelijk ontleend was aan de natuurwetenschappen en de wiskunde, wetenschappen, die sinds eeuwen bij het hooger onderwijs gedoceerd werden.

Tevens werd vermeld, dat aan het einde der 18de eeuw door Adam Smith de grondslag was gelegd voor de beoefening der sociale studiën, waaraan gedurende de 19de eeuw steeds meer uitbreiding werd gegeven. Tegelijkertijd vermeerderde de behoefte aan maatschappelijk onderwijs, vooral voor handel en industrie.

De industrieele revolutie aan het einde der 18de eeuw en de daarop de gevolgde commercieele ontwikkeling in de eerste helft der 19de, deden den omvang van den goederenstroom over de aarde zóózeer toenemen; dat de beteekenis der koopmansfunctie er sterk door vermeerderde. Dit ging gepaard met een wijziging der inzichten omtrent de algemeene waarde van volksonderwijs. Het is te verwonderen, dat de samenwerking der bovengenoemde factoren in de eerste helft der 19de eeuw nog slechts bij hooge uitzondering leidde tot het oprichten van instituten voor handelsonderwijs, wat echter ten deele verklaard wordt uit den, in verhouding van Duitschland en Engeland geringen, vooruitgang van handel en industrie in Nederland en tevens uit den geest van „Oom Stastok" bij de Nederlandsche kooplieden, een geest, die destijds de verontwaardiging van Potgieter opwekte.

De Nederlandsche handel bleef in het algemeen nog genoegen nemen met de opleiding der lagere school, aangevuld met die van de „Fransche scholen" en particuliere instituten, voor een klein getal ook met het onderwijs der Latijnsche scholen of den meer modernen vorm hiervan, de „gymnasiën". Dat de laatste instituten inderdaad leerlingen voor den handel opleidden, blijkt wel uit het K. B. van 19 Febr. 1829, waarbij de Staatscommissie Van Ursel werd ingesteld tot onderzoek van alles, wat op een regeling van het middelbaar onderwijs betrekking had. De regeering begreep daaronder de Latijnsche