is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwijs, nagenoeg alles omvattende, wat behoorde tot de wisen natuurkundige wetenschappen, de staats- en handelswetetv schappen, de geschiedenis, de zeévaartkunde, de scheepsbouwkunde, de toegepaste werktuigkunde door niet minder dan 20 te Amsterdam gevestigde geleerden, waaronder acht hoogleeraren van het Athenaeum zou worden gegeven. Bovendien zouden door afzonderlijke leeraren lessen worden gegeven in 9 vreemde talen, en in schoonschrijven, teekenen, boetseeren en timmeren. Een eigenlijke school was het niet, klassikaal onderwijs werd er niet gegeven; het waren voorlezingen, meer of min geregeld gehouden, welke ieder ingeschrevene naar goedvinden al of niet kon bijwonen. Het op ruime schaal opgezette programma kon niet worden uitgevoerd; de deelneming was minder groot dan men had verwacht en bedroeg niet meer dan 40. Dit aantal verminderde steeds, waardoor het onderwijs bij het einde van den cursus * 1850—1851 moest worden gestaakt. Een der ontwerpers Dr. S. Sarphati besloot nu, met aanzienlijke opofferingen uit eigen middelen, de school aan den gang te houden; de opzet van het onderwijs werd sterk vereenvoudigd en de op zoo ruime schaal ontworpen inrichting werd een eenvoudige handelsschool met een driejarigen cursus, waar klassikaal onderwijs werd gegeven. Pogingen om van de gemeenté Amsterdam subsidie te krijgen mislukten, doch ondanks het aanvankelijk gering getal der leerlingen, dat in 1852 slechts 25 bedroeg, wist de school zich staande te houden. In 1865 was het getal leerlingen zelfs tot 97 geklommen. Het onderwijs werd in 1865 behalve door den Directeur, den Heer A. van Otterloo, gegeven door 12 leeraren. De vakken van onderwijs waren: de Nederlandsche, Fransche, Duitsche en Engelsche taal, de geschiedenis en de aardrijkskunde, beide in betrekking tot den handel, de wiskunde, de natuurkunde, de scheikunde, de werktuigkunde, het boekhouden, het koopmansrekenen, de handelscorrespondentie, de warenkennis, het handelsrecht, de staathuishoudkunde, het teekenen en het schrijven. Om tot de school te worden toegelaten moest de leerling den leeftijd van 14 jaren hebben bereikt. Er was aan de school behalve een driejarige cursus voor handelsonderwijs een aparte klasse voor nijverheidsonderwijs verbonden. De laatste was echter zeer onvolledig en werd slechts weinig bezocht.

In veel opzichten is de in 1869 geopende gemeentelijke handelsschool een voortzetting geweest van de school voor Dr. Sarphati. Deze laatste heeft zich niet kunnen handhaven, nadat te Amsterdam een gemeentelijke hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus was opgericht.