is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verouderde tegenstelling — opleiding voor den geleerden stand en voor de maatschappij — te handhaven, dat hij een goed wettelijk geregeld instituut, waaraan uitsluitend door wetenschappelijk ontwikkelde docenten les zou worden gegeven en een einddiploma slechts op goede waarborgen zou worden uitgereikt, ongeschikt verklaarde als opleiding voor verdere studie, een opleiding, die hij reserveerde voor de Latijnsche scholen en gymnasia, waarvan de onderwijsresultaten nog steeds aanleiding tot vele klachten gaven. Het is echter de vraag, of het voor Thorbecke mogelijk was, anders te handelen en of de tijd rijp was voor een onderwijshervorming, die de bovenstaande tegenstelling als geheel verouderd ter zijde geschoven zou hebben. Zelfs in de 20ste eeuw zou de bekende „ineenschakelingscommissie", ingesteld bij K. B. van 21 Mei 1903 de genoemde tegenstelling tot basis van haar voorstellen maken. Wellicht zou Thorbecke door dit niet te doen zijn geheele conceptie in gevaar gebracht hebben.

In plaats van dritiek past dan ook bewondering voor de ontwikkehngsmogelijkheden, die hij voor een belangrijk deel van het voortgezet onderwijs schiep, terwijl niet uit het oog verloren moet worden, dat hij ook het andere deel, n.1. de regeling der opleiding voor het hooger onderwijs reeds in uitzicht stelde.

Voor dien tijd is het ook begrijpelijk, dat Thorbecke in zijn W maatschappijschool geen scheiding aanbracht tusschen een in-^ stituut. dat met de natuur- en wiskundige wetenschappen als grondslag een opleiding zou geven voor maatschappelijke beroepen, waarbij kennis der mathematische en physische vakken vereischt was en een instituut steunende op de basis der sociale wetenschappen voor tal van andere maatschappelijke beroepen, in de eerste plaats voor den handel. Deze verdeeling was onbekend. Opleiding voor de maatschappij beteekende in dien lijd: opleiding voor handel en industrie zonder meer. Trouwens eerst na 1870 begint in Nederland de groote vlucht van beide te — komen en de grootste uitbreiding blijft zelfs voor de 20ste eeuw bewaard. Daarbij hadden staat, provincie en gemeente nog een heel wat eenvoudiger functie te vervullen dan tegenwoordig, het spoorwegwezen, de post en de telegraphie waren nog in een elementair ontwikkelingsstadium vergeleken bij wat onze tijd eischt, aan een sterk gesocialiseerden maatschappij vorm als de 20ste eeuwsche dacht men ten tijde van Thorbecke nog niet, een zelfstandig maatschappijbegrip begon eerst in dien tijd op te komen. En, last not least, de onderwijsstof voor een middelbare school, die de economische zijde van het sociale

ELZINGA, De Grondslagen der Maatschappijschool. 5