is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen inbegrepen), terwijl ook 9 pet. een administratieve betrekking verwierven. Niet genoemd zijn nog de 2 pet., die op een fabriek of in de nijverheid een plaats vonden; ofschoon de handelsschool ook te allen tijde voor de administratieve beroepen in de nijverheid heeft opgeleid. De genoemde 9 pet. stond gelijk met ruim 2800 leerlingen.

Dr. S. S. Hoogstra noemt voor de jaren 1866—1910 voor dezelfde groepen een aantal van 1478 op 16.786 leerlingen, wat eveneens overeenkomt met ongeveer 9 pet.1).

Tot ongeveer dezelfde resultaten kwam ook reeds Dr. Steyn Parvé in 18792).

Eenigszins opmerkelijk is het, dat het percentage van de leerlingen der Hoogere Burgerscholen, die een plaats vinden in den handel of aanverwante functies in den loop der jaren vrijwel constant blijft, ofschoon na 1900 een groot aantal handelsscholen werden opgericht.

Was dus het aantal leerlingen, dat van de Hoogere Burgerscholen een plaats vond in handel en bedrijf niet onbelangrijk, tegenover het getal, dat naar het hooger onderwijs ging, was het toch van den beginne af klein. Reeds in 1867—1876 bedroeg dit getal nl. 51 pet.3), een getal, dat in den loop der jaren vrijwel constant is gebleven (1877—1886, 45 pet.; 1887—1896, 48 pet j 1897-1906, 56 pet.; 1907-1916, .51 pet; 1917-1921, 55 pet.4).'

Het zal steeds een merkwaardig sociaal en onderwijskundig verschijnsel blijven, dat de plaats, die Thorbecke zoo zorgvuldig voor het gymnasium had gereserveerd, nl. de uitsluitende opleiding voor het hooger onderwijs, van het totstandkomen der Middelbaar Onderwijswet af voor zóón belangrijk gedeelte werd bezet door die Hoogere Burgerscholen en dat deze instituten voor slechts een klein gedeelte de roeping vervulden, die de wetgever ze had toegedacht nl. de opleiding voor handel en nijverheid.

*) Zie Dr. S. S. Hoogstra, Statistieken betreffende Hoogere Burgerscholen enz. Weekbl. Gymn. en -Midd. Ond. 1 Mei 1913.

*) Dr Steyn Parvé, Een en ander over de Hoogere Burgerscholen De Economist, 1879, p. 417.

3) Hierbij is de Polytechnische school te Delft bij het Hooger onderwijs gerekend.

*) De vrij algemeen verspreide meening, dat de H. B. S. meer en meer een instituut voor voorbereidend hooger onderwijs is geworden, blijkt onjuist Ondanks de later opgerichte Landbouwkundige Hoogeschool, de Veeartsenijkundige Hoogeschool en de Handelshoogeschool is het aantal nagenoeg gelijk gebleven. Bij nadere beschouwing blijkt, dat het percentage der leerlingen, die naar de Universiteit of de Technische Hoogeschool gingen, is afgenomen met het percentage, dat naar de nieuw opgerichte instituten van hooger onderwijs vertrok.