is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedachtengang *). Intusschen waren deze opvattingen sterk polemisch en tegen de heerschende kerkelijke meeningen gericht, doch niet a-sociaal. Bij verschillende schrijvers kwam integendeel een nauwe samenhang van ethiek en sociologie tot uiting *).

De genoemde inzichten werden scherp bestreden door J. J. Rousseau. Kuituur en intellectueele vorming maken volgens hem den mensch niet beter, integendeel, de ondeugden krijgen er slechts een meer geraffineerd karakter door. JSchopenhauer trachtte dit te verklaren door op te merken, dat de wil 's menschen primaire geestesfunctie was en het verstand zijn werktuig, waardoor de wil op geenerlei wijze wordt beïnvloed. Heeft iemand een op egoïsme gerichten wil, onverschillig voor wel en wee van anderen en slechts op eigen voordeel bedacht, dan wordt hij door volmaking van het zeer gevaarlijke verstandswerktuig slechts des te noodlottiger voor zijn omgeving. Bij een zekere beperktheid van intellectueel leven ontmoet men nog het meest waren gemoedsadel.

Deze opvattingen werden gretig aangegrepen door hen, die zich tegen de „verhchting" verzetten. Een betere schoolopleiding zou zoowel de docenten als de groote massa maar verwaand en onhandelbaar maken, geneigd tot critiek en betweterij. Daarom was een verbeterde opleiding niet in het belang van orde en rust en evenmin van geluk en tevredenheid der massa. Deze zou haar lot beter dragen, als ze weinig daarover nadacht. Trouw, gehoorzaamheid, inschikkelijkheid, de deugden der groote massa gedijden immers het best op den bodem van intellectueele beperktheid.

Dergelijke opvattingen waren de heerschende in de officieele kringen der 18de eeuw. Geheel verdwenen zijn ze zeker niet, ook al worden ze niet meer luide verkondigd. Wie in een machtspositie geplaatst is, moet over voldoende kennis en algemeen inzicht beschikken om zelfstandige opvattingen in ondergeschikten te kunnen waardeeren. De meening, die eenmaal Lord Bohngbroke verkondigde: „Als een paard zoo knap was als zijn ruiter, zou ik liever niet de ruiter zijn", leeft bewust of onbewust voort. Dit is niet slechts het geval in de kringen van een Pruisisch jonkerdom of van industrieele magnaten, doch ook in bepaalde groepen en personen, die in een machtspositie zijn geplaatst en zich niet boven ijdelheid en eigenbelang kunnen verheffen.

Toch behoeft het nauwelijks betoog, dat zulke inzichten niet meer van dezen tijd zijn, doch thuis behooren in een absolutis-

3 Zie °' a- Friedricn Paulsen, Padagogik, Stuttgart und Berlin, 1912 p 217 vla ") Georg Cohn, p. 15.