is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan het eind der 19de eeuw bleek, dat de individueel-ethische opvattingen steeds meer door de sociale waren verdrongen. Het was, alsof de sociale groepen, haar samenstelling en onderlinge afhankelijkheid een zoo groote beteekenis hadden gekregen, dat het individu en zijn belangen hierdoor meer naar den achtergrond waren gedrongen. Het leven der individuen en der sociale groepen was minder geïsoleerd dan vroeger, de ontwikkelingsgang der moderne gemeenschap voerde alles mee. De studie der zedelijke waarden kreeg hierdoor een nieuwe stimulans. De aanhangers der sociale ethiek ontkenden intusschen niet haar relatieve beteekenis. Zij wezen er op, dat verschillende tijden hun onderscheiden zedelijke beginselen hadden gekend en dat het met verschillende streken der aarde niet anders was. In de oud-Germaansche samenleving had persoonhjke dapperheid een geheel andere beteekenis dan in de tegenwoordige; in de communistische gemeenschappen der oude christenen kon van aanranding van privaat bezit geen sprake zijn, de gehoorzaamheid was in de Middeleeuwen voor de grootste bevolkingsgroepen de voornaamste deugd. Het animisme en de Boeddhistische kastenethiek kenden en kennen andere zedelijke normen dan West-Europa. De beteekenis der ethische begrippen voor bepaalde tijden en voor de onderscheiden deelen der aarde vast te stellen werd een onderzoekingsstof van groote beteekenis. Doch meer en meer werd tevens ingezien, dat bepaalde ethische waarden van alle tijden zijn en op het altaar der gemeenschap geheiligd behcoren te worden, zoolang er gemeenschappen bestaan. Veronachtzaming dezer waarden toch zou de ontbinding der gemeenschappen beteekenen, daar b.v. zonder goede trouw, verantwoordehjkheidsbesef en plichtsgevoel geen enkele gemeenschap kan bestaan.

Voor de twintigste eeuw is bezinning over de zedelijke grondslagen der moderne ontwikkeling terecht noodzakelijk geacht. Bij deze ontwikkeling drukt steeds meer het groote-stadsleven zijn stempel op de geheele gemeenschap en daardoor wordt van het individu een steeds grooter zelfstandigheid in levensopvatting geëischt. De groote-stadsmensch staat los van de banden van familie- en dorpsgemeenschap, van gewoonte en vaak van godsdienstigen ritus. Ten opzichte van het laatste verschijnsel merkt Dr. Heymans op:

,.De godsdienstige wereldbeschouwingen verhezen ondanks voorbijgaande oplevingen, geleidelijk aan kracht"1). En, ofschoon de zedeleer niet specifiek christelijk is, heeft het christeüjk

i) Dr. G. Heymans, De toekomstige eeuw der psychologie.