is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoefde nog slechts de erkenning te volgen, dat de moderne onderwijsstof zonder toevoeging der klassieke talen voldoende was als voorbereiding tot de studiën in de wis- en natuurkunde aan de universiteit om de abituriënten der middelbare scholen tot de examens in deze faculteit toe te laten. Deze erkenning volgde in 1917 bij de Wet-Limburg.

Bij art 13 der Hooger-onderwijswet werd bovendien bepaald, dat „zij, die het eindexamen van de hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus met goed gevolg hebben afgelegd" bij het z.g. staatsexamen zouden worden vrijgesteld van een onderzoek in de vakken, waarin zij reeds geëxamineerd waren.

Door dit alles werden de grondslagen van Thorbecke's wetsysteem, waarin een school voor maatschappelijke beroepen zonder toelating tot universitaire examens naast een speciaal onderwijsinstituut voor het hooger onderwijs was opgenomen, ondermijnd *).

Na 1876 stonden in Nederland twee instituten, beide wettelijk goed geregeld naast elkander, het gymnasium, waar de klassieke talen domineerden, en de hoogere burgerscholen, waar in verband met den stand der wetenschappelijke ontwikkeüng en den geest des tijds de natuurwetenschappelijke vakken op den voorgrond traden.

Slechts in een der instituten voor middelbaar onderwijs was dit anders, n.1. in de openbare handelsschool te Amsterdam. Hier waren in den bovenbouw de natuurwetenschappelijke vakken voor een belangrijk deel vervangen door meer onderwijs in de vreemde talen en in economische vakken. De scheiding tusschen een natuurphilosophischen en een economischen vorm van middelbaar onderwijs, die in de 20ste eeuw van zoo groote beteekenis zou worden, was in 1876 nog in een beginstadium.

De grondslagen van het voortgezet onderwijs bleven tot in het begin der 20ste eeuw onveranderd In 1905 werd echter een wijziging aangebracht, die het beginsel van Thorbecke's wetsysteem aantastte. Bij wijziging der Hooger-onderwijswet werd n.1. na aanneming van een daartoe strekkend voorstel van / minister Kuyper de Polytechnische School als Technische Hooge-. school naar het hooger onderwijs overgebracht. Het was onloochenbaar, dat deze instelling opleidde voor de „bedrijvige wereld" en eveneens, dat van een klassieke vooropleiding tot grondslag van beoefening der wetenschappen geen sprake was geweest. Met belangstelling grijpt men dan ook naar de motiveering van

>) Ook door de „Artsenwet" van 25 Dec. 1878 en de nitvoeringsmaatregel van 12 Febr. 1879, waardoor de bezitters van het einddiploma eener hoogere burgerschool gelegenheid kregen een examen voor arts af te leggen.