is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 16 Mei 1918 deed in haar rapport, dat 31 Dec. 1920 verscheen, de noodige voorstellen. Naar het leggen van een nieuwen grondslag streefde deze commissie niet. Voor het hooger handelsonderwijs gebruikte de Commissie den grondslag, die in art. 1 der Hooger-onderwijswet voor het hooger onderwijs was gelegd, voor het „lager en middelbaar handelsonderwijs" werd in art. 1 van het ontwerp van wet medegedeeld, dat dit onderwijs „algemeene vorming" beoogde1), zoodat het criterium van Thorbecke voor het middelbaar onderwijs werd gebezigd. Ook, nadat de voorstellen der commissie ter zijde gelegd waren, bleef het streven naar een afzonderlijke wet bestaan. Bij dit streven werd echter niet gezocht naar een nieuwen grondslag, doch werd de eenheid der onderwijsstof aan de verschillende soorten van handelsonderwijs vooropgesteld; terwijl tevens van invloed was de vrees, dat bij een regeling in een wet, waarin ook het onderwijs der gymnasia en hoogere burgerscholen was opgenomen, de jongste vorm van middelbaar onderwijs het slechtst zou worden verzorgd. Met het oog op conservatieve invloeden, die steeds zeer sterk in het onderwijs tot uiting komen, was de laatste vrees niet geheel onbegrijpelijk, doch noch het bovengenoemde streven naar eenheid van onderwijsstof, noch de vrees voor bevoorrechting van andere schooltypen kon een nieuwen wettelijken grondslag geven.

Dit werd meer en meer ingezien en in het wetsontwerp, dat het laatst is ingediend, n.1. het wetsontwerp op het voorbereidend hooger en algemeen vormend middelbaar onderwijs van 1928, is dan ook het geheele handelsonderwijs opgenomen. Opgenomen, doch niet in elk opzicht zoodanig geregeld, als met het karakter en de maatschappelijke beteekenis van dit onderwijs overeenkomt2).

Thorbecke had een school voor de maatschappij willen stichten, een maatschappijschool was de hoogere burgerschool echter niet geworden. Hiervoor werd de onderwijsstof in verband met den stand van het wetenschappelijk onderzoek en den geest des tijds te veel in natuurphüosophische richting georiënteerd. Voor tal van maatschappelijke functies o.a. voor betrekkingen in handel en administratie kon gemakkelijk met minder worden volstaan, terwijl daarentegen behoefte werd ge-

') „Lager- en middelbaar handelsonderwijs beoogen een algemeene vorming, welke meer in het bijzonder gericht is op de behoeften van hen, die in handel en verkeei' werkzaam willen zijn."

*) Een veel bevredigender regeling gaf de Minister van Onderwijs K. en W. in het Wetsontwerp 1932, op het V. H. M. O.