is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechten voor het afleggen van examens bij het hooger onderwijs zouden worden verleend. Daar deze examens het middel vormden om te komen tot het bekleeden van bepaalde maatschappelijke beroepen, waarvan de uitoefening aan ieder ander was verboden, greep de onderwijswetgever diep in het maatschappelijk leven. De maatschappij kreeg zelfs geen gelegenheid om na te gaan, of de opleiding door middel van andere onderwijsvormen wellicht even goed of zelfs beter zou zijn als voorbereiding tot de studie voor deze maatschappelijke beroepen. Terecht heeft men meermalen tegen een dergelijk onvoldoend gefundeerd ingrijpen van den onderwijswetgever in maatschappelijke verhoudingen gewaarschuwd1). Dr. Gunning bepleitte in 1907 een „vrije academische studie, voerende tot titels van zuiver wetenschappelijke waarde" en daarnaast „staatsexamens voor de openbare betrekkingen". Deze gedachte was ook reeds in het rapport der staatscommissie van 1849 en in het wetsontwerp Geertsema van 1874 neergelegd2).

Als alle wetgeving beperkt ook de onderwijswetgeving de individueele vrijheid. De wetgever dient echter bij deze beperking niet verder te gaan dan voor de versterking van de volkskracht en volkswelvaart noodig is. Binnen de grenzen van de wettelijke regeling moet aan elke levensbeschouwing de vrijheid worden gelaten zich te handhaven. Bij een wettelijke regeling der drie bekende onderwijsvormen n.1. de klassieke, de natuurphilosophische en de maatschappelijke is dit zeker mogelijk.

Indien de wetgever zich door zuiver onderwijskundige overwegingen zou laten leiden, zou hij ten opzichte van de toekenning van rechten aan de einddiploma's van onderscheidene onderwijsinstituten nog tot een verschillende gedragshjn kunnen komen. Hij zou n.1. aan het einddiploma van scholen, die dezelfde normen van toelating hebben, die leerlingen hebben van denzelfden leeftijd, welke gedurende een gelijk aantal leerjaren van gelijkbevoegde docenten onderwijs ontvangen van gelijken aard, het recht kunnen verleenen examens af te leggen in alle faculteiten en daarbij studenten, die een studierichting kiezen, welke niet aansluit bij hun vooropleiding, kunnen verplichten, bij hun eerste examen de speciale kennis te toonen, die

[) Zie hiervoor het rijk gedocumenteerd artikel van Prof. Dr. B. Sijmons, Het recht van de getuigschriften der scholen voor voorbereidend hooger onderwijs (De Gids, Oct. 1922), Prof. Dr. H. Burger, De heirorming van ons middelbaar onderwijs en de klassieke opleiding, Haarlem 1922 en Dr. J. H. Gunning Wz., Staatsexamens cum effectu civili, Groningen 1907.

*) VgL: the matriculation in England.