is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage IV.

RAPPORT

DER SUB..COMMISSIE VOOR H. B. S. A EN HOOGERE HANDELSSCHOOL.

De Subcommissie voor de bestudeering van de leerstof en het aantal lesuren betreffende het vak „economische geographie" aan de Middelbare Scholen neemt bij dezen de vrijheid U onderstaand rapport aan te bieden, zooals dat in haar vergaderingen van 1 September, 11 October en 22 November besproken en met algemeene stemmen is vastgesteld. Zij heeft haar studie beperkt tot hel aardrijkskundig onderwijs aan de „5-jarige H. B. S. A", de litt. economische afdeeling der 5-j. H.B.S. B" (klasse 4 en 5) en de „Hoogere Handelsschool met 5-j. cursus".

Cursusduur. Er is door een subcommissie gepleit voor een algemeenen leertijd van zes jaren voor alle scholen voor middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs. Onze commissie meent, dat de bestudeering van deze vraag buiten haar opdracht viel en dus buiten beschouwing moest blijven, hoewel zij niet aarzelde als haar meening uit te spreken, dat een 5-jarige opleiding door haar als de meest gewenschte wordt beschouwd.

Aantal lesuren. Betreffende het aantal uren voor het vak Aardrijkskunde, was zij van meening, dat hoezeer zij ook van de belangrijkheid van dat vak overtuigd is, deze toch aan den anderen kant ook niet overschat moet worden, en dat het belang der overige vakken eischt, dat daarvoor de noodige ruimte in lesuren wordt gelaten. Zij vond voor de le, 2e, en 3e klasse een tabel van respectievelijk 3—2—2 uren voldoende. Wel meende zij uitdrukkelijk den wensch te moeten uitspreken, dat in de 4e en 5e klasse het aantal uren 2—2 moet zijn, omdat in die beide klassen de ontwikkelende waarde van het vak het best tot haar recht kan komen. Een rooster van 3—2—2—2—2 uren (totaal 11 uren) komt haar dus het verkieslijkst voor.

Leerplan. Wat de verdeeling der stof over de verschillende klassen betreft, is zij van meening, dat in den „onderbouw" (kl. 1, 2 en 3) de gewone Aardrijkskunde moet worden behandeld, en dat pas in den „bovenbouw" (kl. 4, 5) de economische (sociale) Aardrijkskunde onderwezen moet worden.