is toegevoegd aan uw favorieten.

Dynamisme en logies denken bij natuurvolken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de verschillende frequentie van dezelfde eigenschappen bij \p diverse groepen.*)

Een volksgroep, die op de 1000 personen er één telt met prominente leiderseigenschappen, zal zich werkelik anders gedragen, dan een groep, die een 20 X zo groot percentage telt. Is met deze onderscheiding een duidelike vingerwijzing gegeven, in welke richting gezocht moet worden, een bijna onoverkomelike moeilikheid doet zich voor bij een poging, om het volkskarakter enigermate vast te stellen. Want de uitingen van de menselike geest, die tot een inventarisatie van die geest moeten leiden, lopen onder verschillende omstandigheden zeer uiteen. Zelfs het oordeel van pedagogen over eenzelfde leerling vertoont dikwijls niet de minste overeenkomst. De leerling, die door de ene leraar voor zeer beperkt wordt gehouden, wordt door de andere intelligent geoordeeld. Hoeveel moeiliker wordt het oordeel echter, wanneer men te doen heeft met een grote groep, waarbij het onderzoek van elk individu noodzakeUkerwijze vluchtiger moet zijn of geheel achterwege blijft. En al kon men de geestelike prestaties van een volk of stam op een bepaald moment exact vaststellen, dan nog was weinig bewezen omtrent de toekomst van zulk een groep. Want hoe zal men uitmaken, of die prestaties het gevolg zijn van erfelike dan wel van veranderlike eigenschappen? Het Nederlandse volk gold in de 16de en 17de eeuw algemeen als flink en ondernemend. Maar wie geeft zulk een oordeel af voor de nakomelingschap tussen 1750 en 1850? Even algemeen luidt 't oordeel over de ondernemingslust van de tegenwoordige Nederlanders weer veel gunstiger dan over die van hun grootouders. Met de Engelsen schijnt het juist andersom te staan.

Zo bestaat dus rein hypotheties de mogelikheid, dat de Javanen over één of twee eeuwen de leiders der mensheid zullen leveren op wetenschappelik en economies gebied en dat de Amerikaanse negers de voorgangers worden in de Ver. Staten, ook al luiden de oordeelvellingen over de,tegenwoordige prestaties der genoemde volken nog zo ongunstig. De mogelikheden, die de verschillen in ontwikkeling veroorzaakt hebben, • kunnen, dunkt me, de volgende zijn:

L De aanleg is, globaal genomen, gelijk, maar de natuurvolken zijn achtergebleven door ongunstige uiterlike omstandigheden. Hun lager peil berust dus alleen op gebrek aan

*) S. R. Steinmetz. Der erbliche Rassen- und Volkscharakter. 1902. Herdrukt in Ges. KI. Schriften II.