is toegevoegd aan uw favorieten.

Dynamisme en logies denken bij natuurvolken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mij is, ondanks ijverig zoeken, geen geval bekend, dat van laagontwikkelde volken kleurenhoren vermeld wordt. Wat natuurlik niet zeggen wil, dat 't niet voorkomt. Maar van enig belang voor de ontwikkelingspsychologie zou dit pas kunnen zijn, wanneer het percentage aanmerkelik groter was dan bij kultuurvolken. De magiese formules, die Werner aanvoert als surrogaat voor de ontbrekende waarneming, moeten zelfs als surrogaat volstrekt worden afgewezen.

Het kan niet in mijn bedoeling liggen, het boek van Werner aan een uitvoerige kritiek te onderwerpen. Maar ik moet er toch nog even bij stilstaan, omdat Werner stelselmatig heeft uitgewerkt, wat door Kretschmer, v. d. Leeuw en Storch meer schetsmatig wordt aangeduid. Elk verschijnsel, dat de schr. in zijn studie betrekt, behandelt hij volgens hetzelfde procédé: steeds vindt hij dezelfde uitingen bij natuurvolken als bij kinderen en abnormalen in de hoger ontwikkelde samenleving. Hierdoor verkrijgt de hypothese in schijn een exact karakter. Maar dit is in waarheid slechts een suggestie. Want een werkelik onderzoek, of de verschijnselen bij de drie groepen inderdaad gelijk zijn, ontbreekt. Het moet al wantrouwend stemmen, dat alles zo mooi klopt en er geen enkele keer iets te voorschijn komt, dat niet in 't systeem past.

Schr. spreekt bijv. over 't physiognomies zien van levenloze dingen. Hij constateert, dat dit bij kuituurmensen een uitzondering is, maar vervolgt dan, dat die uitzondering een overblijfsel is van een opvattingswijze, volgens welke de hele' wereld „ausdrucksmaszig, gesichthaft lebendig" was. En dat niet, omdat men een anthropomorphe bezieling der natuur aannam, maar wijl de physiognomiese kijk óp de dingen de „eigentlich ursprünghche Betrachtungsweise überhaupt ist, in der sich eine Scheidung zwischen toter und lebendiger Umwelt noch gar nicht vollzogen haf'

Aan het meedoen van affekten bij de waarneming schrijft Werner de physiognomiese wijze van zien toe.

Geen spoor van bewijs echter wordt geleverd, noch zou kunnen worden geleverd, dat de natuurmens de dingen' gewoonlik physiognomies ziet. De schr. neemt dit maar aan, voert ons dan kunstenaars uit onze maatschappij voor ogen, die beschrijven, hoe ze de dingen physiognomies zagen en noemt dit „resten" van het oorspronkelike physiognomiese beleven. Natuurlik is zulk zien ook bij bedoelde kunstenaars

») blz. 46.