is toegevoegd aan uw favorieten.

Frans handwoordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

varen K

un démon s'est emparé de lui; il est possédé du diable; naar Engeland

passer en nngieterre; op Amerika & ~, naviguer sur 1'Amérique; faire le service entre... et 1'Amérique; desservir les deux rives; ten hemel monter au eiel; ter helle descendre aux enfers; hoe vaart gij? comment vous portez-vous? comment allez-vous? II vt transporter; III o. navigation /.; 2 uur ~, 2 heures de bateau.

2 varen, v. varenkruid, 0. $ fougère /. varenachtig, aj $ filicoïde.

varenbed, 0. lit m. de fougère.

varengras, ■—kruid, o. f. fougère /. varensgezel, m. & marin, matelot m. varenstljd, m. navigation temps m. de

sei vice.

varensvolk, o. marins m. pl.

varenwortel, m. rhizome m. de Ia fougère. varia, v. mv. varia m. pl.

variant, v. variante ƒ.

variatie, v. i (verscheidenheid) variété ƒ.; 2 (afwisseling) variation ƒ.; van ^ houden, aimer le change(ment); voor de pour changer, pour varier;

inema mei <~^s, ƒ tneme et vanations. variëren, I vt & vi varier; II o. het la

variation.

variëteit, v. variété ƒ.

varken, o. 1 porc, cochon m.\ 2 (stoffer) grosse brosse /.; 3 & goret m.; hij is

ten ecm c est un vrai cocnon cocnonnant; wild porc sauvage; een van een wijf, P un pou; het ^ is op één oor na gevild, F 9a se tire, le gros de 1'ouvrage est fait; cela ne tient plus qu' è une cheville; vieze ^s worden niet vet, chat ganté n'a jamais pris de souris; veel ~s maken de spoeling dun, trop de bouches font chère maigre; wij zullen dat ~ wel wassen, nous nous en chargeons; al regent

nei *+-'s, jan $ai\e Krijgt er geen borstel van, les gens sans énergie laissent échapper toutes les occasions; 't is voor de ^s niet gebrouwen, 5a n'a pas été fait pour les chiens; dat slaat als een tang op een ^

ceia nme comme nalleDarde et mise-

ricorde.

varkenachtig, aj sale, cochon.

varkenen, vt & goreter [un vaisseau]. varkensbak, m. auge ƒ. de cochon. varkensblaas, v. vessie f. de porc. varkensborst, m. poitrine /. de porc. varkensborstel, m. soie ƒ. de porc. varkensbrood, 0. % cyclamen m. varkensdraf, m. lavure ƒ., mare m. varkensdrijver, m. porcher m. varkensfokker, m. éleveur m. de pores. varkensfokkerij, v. 1 élevage m. des pores;

2 porenene j.

varkensgebraad, 0. roti m. de porc.

10 vast

varkensgehakt, 0. rillettes /. pl. varkensgras, o. $ renouée /. des oiseaux,

centinode, herniole, tramiane /. varkenshaar, 0. poil m. de cochon, soies /. pl. varkenshoeder, m. porcher m.

varkenshok, o. toit m. a pores, réduit m.

k pores; porcherie ƒ.

varkenskarbonade, v. cötelette /. de porc. varkenskers, v. $ cresson m. sauvage,

senebière /.

varkenskervel, % peucédan m. varkensklaver, v. % trèfle m. des prés. varkenskluifjes, o. mv. charcuterie /. varkenskop, m. tête /. de cochon. varkenskoper, m. marchand m. de cochons. varkenskost, m. manger m. de cochons. varkenskot, 0. toit m. k pores (aux cochons). varkenslapjes, 0. mv. tranches /. pl. de porc. varkensleer, o. cuir m. de cochon. varkenslever, v. foie m. de Dorc.

varkensmaag, v. estomac m. de porc. varkensmarkt, v. marché m. aux cochons. varkensmester, m. engraisseur m. de pores. varkensmuil, m. groin m.

varkenspootje, 0. pied m. de porc, -de

cochon.

varkenspruim. v. mombin m.

varkenspruimeboom, m. $ mombin m., spondias m.

varkensras, o. race /. porcine. varkensreuzel, v. saindoux m.

varkensrib, v. cöte /. de porc. varkenssalade, v. salade /. de porc. varkensslachter, ^slager, m. charcutier m. varkensslachterij, v. charcuterie /. varkenssnoet, ^snuit. m. aroin m.

varkensstaart, m. queue /. de cochon. varkenstong, v. langue /. de porc. varkenstrog, m. auge /. de cochon. varkensvenkel, v. % fenouil m. de porc. varkensvet, 0. graisse /. de porc; gesmolten

axonge f.

varkensvlees, o. (du) Dorc m.

varkensworst, v. saucisse /. de porc, andouille /.

varkentje, o. 1 petit cochon, porcelet, cochon m. de lait, goret m.; 2. (spaarpot) tirelire /.; ik zal dat ^ wel wassen j'en fais mon affaire.

varkenvis, m. marsouin m.

vaseline, v. vaseline /.

vaso-motorisch, aj vaso-moteur, -motrice. vast, I aj 1 (in 'talg.) ferme2; 2 (vastgesteld) fixe; 3 (dicht) compact, dense, serré; 4 (n i e t week) consistant; 5 (niet gasvormig) solide; 6 (zeker) sur, certain; ~e benoeming, nomination /. en titre; ^ besluit, résolution ferme /.; ~e betrekking, emploi m. stable, situation f. fixe;^ bezoeker, habitué m.; ~e brug, pont dormant m.\ ~e goederen, biens immeubles m. pl.;