is toegevoegd aan uw favorieten.

Frans handwoordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertroetelarij 10

vertroetelarij, v. g&terie /.

vertroeteld, aj choyé, gaté.

vertroetelen, vt gater, choyer, dorloter, mignarder, dodiner, douilletter, élever è la brochette.

vertroeteling, v. pratique ƒ. de choyer &. vertroosten, vt consoler.

vertroostend, aj consolant, consolateur, -trice.

vertrooster, m., -ster, v. consolateur m.,

- LilUC ƒ.

vertroosting, v. consolation ƒ. vertrouwbaar, aj digne de foi {of de confian-

ce), fidéle, sur.

vertrouwd, I aj i (gemeenzaam) familier; 2 (vertrouwbaar) sur, de confiance; is het ? il n'y a pas de danger? een ~ meisje, une bonne de toute confiance; met iets ^ zijn, connaitre qc. k fond, être versé dans qc., être au courant

ae qc., ir, oenmet aie taal, cette langue m'est familière; zich ^ met iets maken, se familiariser avec qc., se mettre au courant (of au fait) de qc.; II m. & v. confident m., -e f.

vertrouwdheid, v. intimité, familiarité /.; zijn ~ met..., ook: sa connaissance approfondie ƒ. de.

vertrouwelijk, I aj 1 intime, familier; 2 confidentiel, ^>e mededeling, communication confidentielle of faite a titre confidentiel, confidence ƒ.; boodschap van <^e aard, commission de confiance; II ad intimement, confidemment, confidentiellement.

vertrouwelijkheid, v. 1 intimité, familiarité

/.; 2 caractère confidentiel m. vertrouweling, m. & v. confident m., -e /. vertrouwen, I vt 1 (niet wantrou¬

wen; avoir coniiance en, se tier a; 2 (zich verlaten op) se reposer sur; 3 (rekenen op) compter sur; ik vertrouw, dat..., j'aime a croire que... j'ose espérer que; iemand iets •—confier qc. a qn.; ik vertrouw hem maar half, je n'ai pas bien confiance en lui; ik kan hem

met je ne peux pas me fier a lui; niet te •—sujet a caution; te ^ zijn, être digne de foi, -de confiance; II 0. confiance; /. het ^ in..., la confiance en (of a);

Tcmwnus ~ uestnamen, tranir ia coniiance de qn.; zijn vollen genieten, avoir sa confiance entière;^ hebben in, avoir confiance

iaans,en;, iaire contiance a [son amour du pays &], avoir foi en;<—' inboezemen, inspirer confiance; hem zijn^ schenken, lui don-

ner \oj accorcier; sa contiance;^ stellen in, mettre sa confiance en (of dans); de Kamer haar uitsprekend in het beleid van den Minister, gaat over tot de orde van de dag, la Chambre confiante dans la prudence du ministre passé a 1'ordre du jour; het

vervallen

volste r*j ver dienen,mériter notre pleine et entière confiance; ~ wekken, faire (of inspirer) confiance; iemands ***-> winnen, capter sa confiance; in de confiance, confidentiellement; in goed f^, de confiance; iemand in ^ nemen, mettre qn. dans la confidence: iemand in ^ iets zeg¬

gen, faire la confidence de qc. a qn., confier qc. a qn.; met het volste en toute confiance; een man van ^->, un homme de confiance; hij is goed van il est trés vertrouwend, aj confiant. [confiant.

vertrouwensman, m. homme m. de confiance.

vertuianker, 0. & ancre /. d'affourche. vertuien, vt & affourcher.

vertuitouw, 0. & cable m. d'affourche. vertwijfeld, aj désespéré.

vertwijfelen, vi désespérer [de...], vertwijfeling, v. désespoir m., désespérance /. vertwijnen, vt (re)tordre [du fil]. veruitziend, aj de longue haleine, ambi-

tieux, è longue échéance.

vervaard, aj effrayé, timide; hij is voor geen kleintje^, il n'est pas homme è s'impressionncr pour si peu; zie ook: kleintje. vervaardheid, v. frayeur, timidité /. vervaardigen, vt faire, fabriquer [toutes sortes d'articles]; confectionner [des vêtements]. [m.

vervaardiger, m., -ster, v. fabricant, auteur vervaardiging, v. fabrication, composition,

confection /.

vervaarlijk, I aj épouvantable, formidable, redoutable, énorme; II ad formidablement.

vervaarlijkheid, v. énormité f.

vervagen, vi devenir vague, s'estomper, se

dissiper.

vervaging, v. estompement m.

verval, o. 1 (v. r i vi e r &) pente, chute /.; 2 (bouwvalligheid) ruine, caducité /.; 3 (achteruitgang) déclin m., décadence /., délabrement m., décrépitude /.; 4 (f o o i, winst) émoluments, profits casuels m. pl.',~ van krachten, déperdition /. de forces, cachexie f.',^ van zeden, corruption /. des mceurs; in~ geraken, tomber en décadence (of en ruine), déchoir, décliner.

vervaldag, m. $ échéance /.

1 vervallen, vi 1 (bouwvallig worden) se délabrer, menacer ruine; 2 (achteruitgaan) tomber en décadence, déchoir, dépérir; 3 (weggelaten worden) être aboli, être supprimé; 4 $ (v. wissels &) échoir; 5 & dériver, s'affaler; laten , supprimer; ^ aan, échoir a; in een boete ^, encourir une amende; in het dure (pathetische &) tomber dans les prix forts (le pathétique); in de oude fout~, retomber dans sa faute;