is toegevoegd aan uw favorieten.

Frans handwoordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgaan

voorgaan, I vt marcher devant [qn.]; précéder [qn.]; ik ga u voor, je passé avant vous; \l vii (1 e i d e n) passer le premier, devant; 2 (v. u u r w e r k e n) avancer; 3 (de voorran g he bben) avoir o/prendre les devants, passer avant, avoir la priorité; 4('t voorbeeld geven) prendre les devants, donner 1'exemple; 5 (v. dominee) conduire [le service]; gaat u voor! passez (donc)! passez devant, je vous prie! après vous! dames gaan voor! honneur aux dames ! in 7 goede donner 1'exemple de [qc.]; zaken gaan voor vermaken, les affaires passent avant les plaisirs; goed ^ doet goed volgen, bon exemple vaut une le^on.

voorgaand, aj précédent, antérieur; het~e

jaar, Pannée passée (of dernière) /. voorgaanderij, v. NI vérandah /. de devant. voorgaats, ad & en rade.

voorgalerij, v. NI vérandah /. de devant. voorgang, m. exemple m.

voorganger, m. -ster, v. 1 (i n ambt) prédécesseur, devancier m., -ière /.; 2 (leider) chef, conducteur, guide m.\ 3 (i n kerk) pasteur, prédicateur m.\ wie is uw ~ geweest, qui vous a devancé dans eet emploi?

voorgebed, 0. prière f. avant le sermon. voorgebergte, 0. promontoire, cap m. voorgeborchte, 0. het les limbes m. pl. voorgebouw, 0. avant corps m. voorgedragen, aj préventé; ^ voor kapitein, porté pour capitaine; ^ voor bevordering, proposé pour 1'avancement. voorgemeld, ~genoemd, aj susdit, susmen-

tionné.

voorgenomen, aj projeté.

voorgerecht, 0. entrée ƒ.

voorgeschiedenis, v. 1 préhistoire /.; 2 antécédents m. pl; 3. origines /. pl., genèse /. voorgeslacht, 0. ancêtres m. pl.

voorgestel, 0. avant-train m.

voorgevallene, 0. ce qui s'est passé, événe-

ments m. pl. passés.

voorgevecht, 0. combat m. préliminaire, voorgevel, m. fa^ade ƒ., front m.; frontispice m.

voorgeven, I vt 1 (bij biljart, schaken) rendre; 2 (voorwenden) pré-

te xter, prétendre, feindre; iemand 10 pas ~, donner dix pas d'avance k qn.; iemand 10 punten rendre dix points a qn.; hij geeft voor ziek te zijn, il prétend être ma-

Jade; II 0. pretexte, dire m.

voorgevoel, 0. pressentiment m.\ een ~

hebben, pressentir.

voorgevoelen, vt pressentir.

voorgewend, aj feint, de commande. voorgift, v. avantage m.; avance /. voorgisteren, ad avant-hier.

voorgoed, ad pour de bon, définitivement

voorhof

voorgoochelen, ut faire des tours de passepasse devant [qn.]; (fig.) faire illusion k [qn.], tromper [qn.] par de belles promesses.

voorgooi, v. premier coup m. (de dés etc.), voorgooien, vt jeter [qc. k qn.];(/tg.) repro-

cher [qc. h qn].

voorgrond, m. premier plan, devant m. [de la scène]; les devants of le devant [d'un tableau]; op de ~ komen (treden) monter au premier plan2; op de^ plaa sen, mettre en relief (en vedette); zich op de ~ stellen, se mettre en avant, se faire remarquer; te zeer op de ^ treden, trop prédominer.

vóórhaard, m. avant-creuset w., bassin m.

de réception.

vóórhamer, m. X marteau m., marteau m. de frappe ur of k battre devant, frappedevant m. marteau m. d'enclume, -de forge.

voorhand, v. i (v. paar d) avant-mainf m.\ main en avant; 2 (kaartspel) main f.',[fig.) préférence /.; wie heeft de~? k qui la main? op de ^ zitten, avoir la main.

voorhanden, aj en magasin, disponible;

^ zijn, se trouver, y avoir.

voorhandse titel, m. faux-titret «. voorhang, m. rideau m., toile /. voorhangen, I vt 1 (i e t s) (sus)pendre devant; 2 (i e m a n d) proposer (présenter) comme membre; II tu être proposé comme membre [d'un cercle]; avoir leurs bans affichés [trois semaines avant le mariage]. voorhangsel, 0. 1 voile m. [du temple]; 2 zie voorhang. j

voorhaven, v. avant-port m.

voorhebben, vt 1 avoir [qc.] devant soi; 2 porter [un tablier &]; 3 avoir [une avance, quelque avantage]; 4 se proposer, projeter, avoir en vue, méditer; het goed met iemand ~, vouloir du bien a qn.; iets~ op, avoir quelque avantage sur; gij vergeet wien gij voor hebt, vous oublie z a qui vous parlez; dat aanbod & heeft alles voor, cette offre & a tout pour elle; dat heeft veel voor, cela a beaucoup d'avantage; ga a un grand avantage [sur 1'autre projet &]; den verkeerde ^, prendre qn. pour un autre; wat hebt ge met dien jongen voor? que voulez-vous faire de ce gar^on? voorheen, ad auparavant, autrefois, jadis;

$ ci-devant; als comme par le passé, voorhistorie, v. préhistoire /.

voorhistorisch, aj préhistorique.

voorhoede, v. X 1 avant-gardet /•; 2 (sp.) ligne /. d'avants of des avants; 3 (fig.) avant-gardet ƒ•; de ^ uitmaken, former 1'avant-garde.

voorhof, 0. 1 (voor kasteel &) avantcourf, cour /. d'entrée; 2 (voor kerk)