is toegevoegd aan uw favorieten.

Frans handwoordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werk

werkezel

in 't ^ stellen, mettre en oeuvre, mettre en usage; alles in 't ~ stellen om, mettre tout en oeuvre pour, faire tout pour, ne rien négliger pour; naar zijn gaan, se rendre k son travail; onder *t en travaillant; te~ gaan, procéder[avec ordre &]; opérer [è coup sür &]; hoe moet men daarbij te gaan? comment faut-il s'y prendre? voorzichtig t e ~ gaan, procéder avec prudence; hen te ^ stellen, les employer; ^ op tijd maakt welbereid, un point et temps en épargne cent; n a gedaan is het goed rusten, après le travail le repos est doux.

2 werk, o. étoupe /.

werkbaas, m. i patron, maitre m.\ 2 contremattre, chef m. d'atelier, conducteur m. des travaux.

werkbank, v. établi m.

werkbeest, 0. animal m. de travail, béte /.

de labeur (de somme, de charge, de trait) werkbij, v. abeille ouvrière ƒ.

werkbroek, v. pantalon m. de fatigue, cotte ƒ.

werkdadig, aj 1 (werkzaam) actif, efficace; 2 (practisch toegepast) pratique, appliqué.

werkdaaigheld, v. activité, efficacité /. werkdag, m. 1 jour ouvrable, jour non fériê m.\ 2 jour de travail [de huit heures]; de achturige ~, la journée de huit heures, les huit heures.

werkdier, 0. béte /. de labeur; zie werkbeest. werkdoos, v. boite ƒ. k ouvrago.

werkelijk, I aj positit, véritable, réel, effectif; in <^>e dienst, en activité de service; II ad réellement, positivement, en effet, effectivement, tout de bon.

werk el ijk h ei d; v. réalité werkeloos, a; 1 (niets doende) désceuvré, inactif, oisif; les bras croisés; 2 (zonder uitwerking) sans effet, inefficace; 3 (zonder werk) sans travail; ^ blijven, rester inactif. werkeloosheid, v. 1 désceuvrement m.\ inoccupation /. inaction, inactivité; oisiveté; 2 inefficacité ƒ.; zie ook werkloosheid.

werken, I vi 1 (i n 't al g.) travailler; 2 (v. machines) fonctionner, marcher; 3 (zijn werking doen) agir, opérer, produire de 1'effet, exercer de 1'influence; 4 (gisten) travailler, fermenter; 5 (v. deeg) lever; 6 (v. planten) pousser, bourgeonner; 7 (krom trekken) sc déjeter, gauchir, travailler; die bepalingen & ^ goed, ces régulations agissent efficacement; het bier begint te la bière commence k travailler; het geneesmiddel begint te~, le remède commence k opérer; het geneesmiddel zal gauw le remède ne tardera pas k produire son effet; het

werkt langzaam, le remède agit lentement; het werkt niet, 9a ne produit pas d'effet; zich dood ^>, s'exterminer; hij werkt hard, il travaille rude, il besogne dur [le paysan]; hij laat hen te hard f*, il les fait trop travailler; hij moet hard il lui faut travailler dur; het hout werkt, le bois travaille (of joue); de pomp werkt, la pompe joue; de rem werkt niet, le frein 11e fonctionne of marche pas; het schip werkte vreselijk, le navire travaillait terriblement; het systeem werkt goed, le système opère bien; de vulkaan werkt, le volcan est en activité of en ébullition, le volcan travaille; de vulkaan begint te r^>, le volcan entre en activité; zij gaat uit r^} elle fait des ménages; hij houdt van il aime le travail, le travail ne lui fait pas peur; hij houdt niet van il n'aime pas le travail of pas travailler; als een paard, travailler comme un cheval (comme un nègre), travailler en esclave; de natuur laten laisser agir la nature; aan een boek & r^>} travailler è un livre &; er wordt aan gewerkt, F on s'en occupe; zij werkt bij een naaister, elle est occupée chez une couturière; in het duisterpratiquer ses menées dans 1'ombre; nadelig ~ 0 p, être mauvais pour; het werkt op de verbeelding, cela opère sur 1'imagination; het werkt op de zenuwen, cela agit sur les nerfs; 9a travaille les nerfs; voor zijn brood r^>, travailler pour son entretien; voor Engels & préparer son diplome d'anglais &; ^ voor een examen, travailler of préparer un examen; ^ voor de invrijheidstelling van..., oeuvrer pour la mise en liberté de...; ik heb gesolliciteerd en nu werkt hij voor mij, il s'entremet pour moi, il s'emploie en ma faveur; ^ is zalig, le travail c'est la vie; wie niet werkt, zal ook niet eten, qui ne travaille pas, ne mange pas; II vt in: zijn biefstuk & naar binnen werken, F expédier son bifteck; iets naar binnen >—s'envoyer qc., se le passer par le coco of par la rue au pain; hij kan iets naar binnen il officie bien ! elkaar eronder se ruiner; zich dood se tuer k travailler; III 0. travail m.\ het practisch 0- les manipulations scientifiques; het~ aan de toestellen, le travail aux apparcils; het ^ met gewichten, le travail des poids.

werkend, aj travaillant; ~e genade, gr&ce efficace /.; ^ lid, membre actif m.; ***> middel, remède m. agissant; ~e oorzaak, cause efficiente /.

werker, m. 1 (di e werkt) travailleur m.\

2 (werkman) ouvrier m.

werkezel, m. F piocheur, bücheur m.f bceuf m. au travail; een echte~, un homme de travail, un bon bouleux, un bourreau de