is toegevoegd aan uw favorieten.

Frans handwoordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordaccent

spreken, ne dire {of ne souffler) mot; een goed ~ spreken, dire une prière; geen ^ uitbrengen, ne pas proférer une parole; daar is geen <•*-' voor te vinden, cela n'a pas de nom; 't hoogste ~ voeren, avoir la parole, tenir le dé de la conversation; ... zullen het ~ voeren, y prendront la parole M.M...; wij zullen daar verder geen /—>en aan [over) vuil maken, il ne faut pas tant de beurre pour faire un quarteron; een paar ~en wisselen met, échanger quelques paroles avec [qn.]; geen zeggen, ne souffler mot; aan 't ~ zijn, avoir la parole2; b ij deze ~en, & ces mots; i n één -v/, en un mot, d'un seul mot, bref; niet alleen in <~^en maar ook in daden, non seulement en paroles mais en fait; in ^ en geschrifte, par la parole et par la plume; met r-^en schilderen, peindre par les mots; met andere ~en, en d'autres termes; met deze ~en, en ces termes; naar het~ van den apostel, selon la parole de 1'apótre; het onder ~enbrengen,exprimer en paroles, énoncer; o p mijn sur ma parole, ma foi; hem op zijn geloven, le croire sur parole; iemand te ^ staan, écouter qn., parler (of répondre )h qn.; van het^ afzien, renoncer & la parole; ^ voor r—*, mot a mot; zonder een~ te zeggen, sans une parole; lied zonder ~en, chanson /. sans paroles; het gaat erin als Gods ~ in een ouderling, J 9a se boit comme un petit-lait; een goed ~ vindt altijd een goede plaats, on ne gate jamais rien par de bonnes paroles; jamais beau parler n'écorcha la langue; -—'en wekken, voorbeelden trekken, 1'exemple est plus puissant que la parole, bon exemple vaut une le<?on. [bique.

woordaccent, o. accent m. tonique, -syllawoordafleider, m. étymologiste m. woordafleiding, v. étymologie /. woordbeschrijving, v. lexicographie /. woordbreker, m., -breekster, v. celui, celle

qui manque k sa parole.

woordbreuk, v. manque m. de parole. woordbuiging, v. flexion ƒ.

woordelijk, I aj littéral, textuel; II ad littéralement, mot k mot, au pied de la lettre. woordenarm, in: ~e taal, langue pauvre /. woordenboek, 0. dictionnaire m.\ schrijver van een lexicographe m.} auteur m. d'un dictionnaire.

woordenbouw, m. formation ƒ. des mots. woordenkennis, v. connaissance ƒ. de(s) mots. woordenkeus, v. choix m. de mots. woordenkraam, v. verbiage, fatras m. woordenlijst, v. vocabulaire m. woordenpraal, m. déclamation, emphase /. woordenraadsel, 0. charade ƒ., logogriphe m. woordenrijk, aj verbeux; ~e taal, langue fiche f.

worden

woordenrijkheid,t/.richesse/. (d'une langue);

verbosité /.

woordenschat, m. nomenclature /. oulexique m. [du dictionnaire]; trésor de tous les mots employés (par les écrivains, un écrivain); vocabulaire m.

woordensmeder, m. forgeur m. de mots, fa-

bricant de mots, néologiste m. woordensmederij, v. néologisme m. woordenspel, o. jeu m. de mots. woordenstrijd, ~twist, m. 1 discussion, dispute /., débat m.\ 2 dispute /. de mots, logomachie /.

woordenstroom, m. flux m. de paroles. woordenvitter, m. puriste m.\ chicaneur m. woordenvloed, m. flux m.-, flot m.-, of bor-

dée /. de paroles.

woordenwisseling, v. discussion, ƒ., dispute

/., altercation f.

v/oordenziften, 0. chicanerie /. woordenzifter, m. éplucheur m. d'écrevisses,

regratteur m. de syllabes, woordenzifterij, v. chicanerie /. woordfiguur, v. figure /., trope m. woordgebruik, o. usage m.

woordgeheugen, o. mémoire /. verbale, woordherhaling, v. répétition /. d'un mot. woordje, 0. petit mot w.; een ~ asjeblieft! deux mots, s'il vous plait! daar is geen ~ Frans bij, F c'est clair et net; een goed~ voor iemand doen, parler en faveur de qn.; ook een ^ willen meespreken, tenir è dire son mot; er een ~ over zeggen, en toucher un mot; de..., daar zal ik ook eens een ^ over zeggen, le (la)..., je vais lui dire deux mots; ook een ~ te zeggen hebben, avoir son root h dire [dans un débat &]. woordkunst, v. écriture /. artiste. woordkunstenaar, m. artiste m. du verbe. woordlid, 0. particule /.

woordmisbruik, o. abus m. de langage, -de

mots; catachrèse /.

woordomzetting, v. inversion /. woordontleding, v. analyse grammaticale /. woordraadsel, o. charade /., logogriphe m. woordregister, 0. index m. alphabétique. woordschikking, v. construction /.,syntaxe /. woordsoort, v. partie f. du discours, woordspeling, v. calembour, jeu m. de mots; r^cn maken, jouer sur les mots, faire des calembours.

woorduitlating, v. ellipse /. woordverdraaiing, défiguration /. de la vérité.

woordverklaring, v. définition nominale /. woordvoeging, v. construction, syntaxe /. woordvoerder, m. porte-parole m. woordvorming, v. formation /. des mots. woordvorser, m. étymologiste m., linguiste m. worden, I vt 1 (i n toestand komen) devenir [riche, savant, 1'ennemi de qn., général, roi &]; passer [commandant