is toegevoegd aan uw favorieten.

Frans handwoordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoor ii

zoor, aj rude, dur, apre, sec.

zoorheid, v. rudesse, &preté, aridité ƒ. zootje, o. quantité /.; het la tourbe;

het is me een ~ ! quelle bande ! zie zo. zorg, p.i(leed) souci m., inquiétude, peine /.; 2 (verzorging) soin m.\ sollicitude /.; 3 F fauteuil m.\ 't zal mij een ~ zijn, c'est le cadet de mes soucis; ^ besteden aan iets, mettre beaucoup de soin alle^ besteden aan, appliquer of mettre tous ses soins &; veel ~ besteden aan, soigner fson stvle &1; ^ drazen, avoir (of

prendre) soin (de); daar maak ik me geen ^ over, cela ne me préoccupe pas du tout; maak u daar geen ^ over, que cela ne vous embarrasse pas; de~ op zich nemen over, se charger du soin de; veel ^

vereisen, demander of réclamer beaucoup de soins; in^en zijn, être dans le besoin; met ^, avec soin, soigneusement; zonder sans souci, insouciant.

zorgbarend, aj alarmant, inquiétant. zorgdragend, aj soigneux, plein de solli-

citude, ^ voor, soigneux de.

zorgelijk, aj inquiétant.

zorgeloos, I aj i (zonder zorg) sans souci, insouciant; 2 (achteloos) négligent, nonchalant; II ad négligemment, nonchalamment.

zorgeloosheid, v. insouciance /.; laisser-aller m., nonchalance, négligence /., in curie/. zorgen, vi in: ik zal ervoor i'en aurai (of

prendrai) soin; voor iemand (iets) avoir (of prendre) soin de qn. (qc.) pourvoir 4 qc., veiller k qc.; laat mij daarvoor c'est mon affaire, je m'en charge; daarvoor moet (zal) ik cela me regarde, ce soin me regarde; voor zich zelf kunnen se suffire k soi-même; zorg ervoor dat je sigaren hebt, faites en sorte d'avoir des cigares, arrange-toi pour avoir des cigares; zorg ervoor, dat hij zijn geld krijgt, voyez a ce qu'il soit payé, u moet er voor dat het hem aan niets ontbreekt, c'est k vous k voir qu'il ne manque de rien; zorg dat hij het ziet, faites en sorte qu'il le voie. zorggras, 0. % houlque /.

zorgketting, m. chalne ƒ. de süreté, -de

sauvegarde.

zorglijk, aj critique, dangereux, inquiétant. zorglijkheid, v. condition /. critique (inquiétante).

zorglijn, v. sauvegarde /. du gouvernail.

zorgstoel, m. fauteuil m.

zorgvuldig, I aj soigneux; consciencieux;

r^e opvoeding, éducation soignée /.; II ad soigneusement.

zorgvuldigheid, v. soin m. [mant.

zorgwekkend, aj inquiétant, critique, alarzorgzaad, 0. % houlque /.

zorgzaam, I aj soigneux, plein de sollicitude; II ad soigneusement,

)9 zoutmeer

zorgzaamheid, v. attention /., sollicitude ƒ.,

vigilance /.

Zoroaster, m. Zoroastre m.

zot, Iaj sot,-te, absurde, extravagant, -e, fou, folie; II ai sottement, follement; III m. i (dwaas) m. sot, fou , imbécile, idiot m.; 2 (t o n e e 1~, nar) bouffon m.\ 3 (kaartspel) valet fft.; voor de houden, se moquer de.

zotheid, v. sottise, folie, extravagance /. zotskap, 1 v. bonnet m. de fou, marotte ƒ.;

2 m. & v. sot fft., -te ƒ., imbécile fft. & /. zotteklap, zottepraat, fft. radotage m., balivernes, sottises, bêtises f. pl. [f.

zotternij, v. sottise, niaiserie, fadaise folie zottin, v. sotte, extravagante, folie f. zouaaf w». X zouave fft.

zou(den), zie zullen.

zout, I o. sel ff».; het ~ der aarde, B le sel de la terre; Attisch ~, sel m. attique; Engels sel fft. d'Epsom;~ leggenop alle slakken, relever toutes leserreurs (inexactitudes); in ~ 't leggen', saler; het in 't ~ leggen, la salaison; II aj salé; § salin. zoutaanmaak, m. fabrication /. du sel.

zoutaanrnaakplaats, v. saunerie J. zoutachtig, aj salin, un peu salé.

zoutader, v. veine ƒ. de sel.

zoutbad, o. bain m. de sel.

zoutbak, fft. saunière f., salin m. zoutbelasting, v. impót «t. sur le sel; G)

gabelle /.

zoutberg, m. mine /. de sel gemine. zoutbloemen, v.mv. fleurs f.pl. de sel. zoutblok, o. block-sel m.

zoutbriquet, 0. briquette /. de sel. zoutbron, v. source /. saline.

zoutbrood, 0. salin «1.

zoutdal, o. het~, la Vallée salée. zoutdampen, m. mv. vapeurs f. pl. chargées de sel.

zoutdebitant, m. débitant m. de sel. zoutdepot, 0. dépot m. régional de sel. zouteloos, aj sans sel; (/tg.) fade, insipide. zouteloosheid, v. fadeur, insipidité /. zouten, I vt saler; II 0. het ~, le salage. zouter, m. saleur m.

zoutevis, v. morue salée /.

zoutfabrikant, m. salinier m.

zoutgeest, m. esprit «». de sel.

zoutgehalte, o. salinité /.

zoutgras, 0. % trocart m.

zoutheid, v. salure, salinité /.

zouthoudend, aj salin, salifère.

zouthuis, 0. grenier m.-, magasin m. k (de) zoutkeet, v. saline, saunerie f. [sel.

zoutkorrel, v. grain fft. de sel.

zoutkorst, ti. croüte f. de sel.

zoutkruid, 0. $ soude f.

zoutloos, aj [régime] déchloruré. zoutmaker, m. sau(l)nier m.

zoutmeer, 0, 1 lac salé »».; 2 lac salant m.