is toegevoegd aan uw favorieten.

Frans handwoordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwaarlijvigheid 12

zwaarlijvigheid, v. corpulence, obésité /. zwaarmoedig, 1 aj mélancolique, sombre;

II ad mélancoliquement. zwaarmoedigheid, v. mélancolie /. zwaarspaath, o. baryte f. sulfatée, barytine /.

zwaarte, v. i (in 't alg.) pesanteur ƒ.; poids m.; 2 (natuurk.) gravité ƒ.; 4 (loomheid) lourdeur ƒ.; 4 (ernst) gravité /.

zwaartekracht, v. force f. de gravité, gravitation f.; de wetten der ~, les lois de la zwaartelljn, v. médiane /. [pesanteur. zwaartemeter, m. baromètre m.\ (vloeistof) aréomètre m.

zwaartepunt, 0. eentre m. de gravité. zwaartillend, aj difficultueux, pessimiste;

~ zijn, broyer du noir, caver au pis. zwaartillendheid, v. tendance ƒ. è caver au pis.

zwaarwichtig, I aj de grand poids, pesant,

important ; II ad pesamment. zwaarwichtigheid, v. importance f.

zwabber, m. 1 (bezem) faubert m., vadrouille /.; 2 (matroos) fauberteur m.; 3 S enseigne m. de vaisseau subalterne; aan de ^ gaan, aller en vadrouille; aan de ~zijn, être enbombe, vadrouiller; wat een rare ~.' quel vadrouilleur! zwabberen, vi 1 fauberter; 2 (fig.) vadrouiller, mener une vie de patachon. zwabbergast, m. fauberteur m. zwabberleven, 0. vie /. (existence f.) de patachon; een ~ leiden, ook: mener une vie de batons de chaises of de polichinelle. Zwaben, 0. la Souabe /.

Zwablsch, aj souabe.

zwachtel, m. bandage »>.; ligature /. zwachtelen, vt bander [un membre frac-

turé]; emmailloter [un enfant], zwachteling, v. bandage m.\ pansement m. zwad, zwade, v. andain m., javelle /., va-

gue /. [d'herbe].

zwadder, m. venin m. [d'un serpent], zwager, »». beauj-frèret «1.

zwagerln, v. bellef-sceurt f.

zwagerschap, 0. alliance /., parenté f. par alïiance.

zwak, I aj 1 faible, débile, infirme; 2 (t e e r) frêle; 3(b ree kbaar) fragile; 4 (m a c ht e 1 o o s) impuissant; ~ geheugen, mémoire peu süre /.; ^ke gezondheid, santé délicate /.; een ^ ogenblik, un moment de faiblesse; ■—>ke zijde, cöté faible, endroit vulnérable, défaut m. de la cuirasse; zijn zaak staat ~,sa cause est bien malade; te zijn voor, avoir trop de faiblesse pour [qn.]; " sb ^, 0. faible m.\ een ^ hebben voor, avoir un faible pour; iemand in zijn ~ tasten, prendre qn. par son faible. zwakheid, v. faiblesse, débilité, infirmité, impuissance /.; asthénie f.

34 zwanger

zwakhoofd, m. 8iV .esprit (o/cerveau) faible m. zwakhoofdig, aj faible d'esprit, imbécile. zwakhoofdigheid, v. faiblesse d'esprit, imbécillité /.

zwakjes, ad faiblemtnt, molltment; hij is

nog '—il est encore faible (of délieat). zwakkelijk, aj faiblard, maladif. zwakkeling, m. & v. personne débile (faible

of sans énergie) /.

zwakstroom, m. K. courant m. faible. zwakte, v. faiblesse, débilité, infirmité f. zwakzinnig, aj arriéré, imbécile. zwakzinnigheid, v. débilité /. mentale, imbécillité /.

zwalken, vi errer 1'aventure; rouler sa

bosse; op zee'—courir les mers.

zwalp, m. 1 ^ poutre; cartelle /.; 2$, barrot

m.; 3 zie gulp.

zwalpen, vi clapoter.

zwalpend,aj clapoteux, impétueux, houleux. zwaluw, v. i hirondelle jonge ~, hirondeau m.; één maakt geen zomer, une hirondelle ne fait pas le printcmps. zwaluwnest, 0. 1 (e i g.) nid »«. d'hiron-

delle; 2 i, dcmi-tourelle f. zwaluwpluvier, v. i glaréole /., perdiix /. de mer.

zwaluwstaart, m. 1 queue /. d'hirondelle; 2 (houtverbinding) queue f. d'aronde; 3 (jas) queue /. de morue, queue de pie, sifflet m.', 4 (g a s p i t) papillon m.\ 5 9g machaon m. [de.

zwaluwstaarten,^ asscmbler i queue d'aronzwaluwstaartvormig, aj en queue d'aronde. zwam, v. 1 (paddenstoel) agaric, champignon m.\ 2 0. (stof) amadou m. zwamachtlg, aj spongieux, agaricé. zwamdoosje, 0. boite f. a amadou. zwammaker, m. amadoueur m.

zwammen, vi F rab&cher; blaguer, jacler, déconner.

zwamneus, m. F rabScheur m., radoteur m. zwamzuur, 0. acide m. fongique.

zwanebek, m. 1 i bec m. de cygne; 2 X

becf-de-cygne m.

zwanedons, 0. duvet m. de cygne. zwanenbloem, v. $ jonc fleuri m., § bu-

tome /.

zwanenbrood, 0. acore m.

zwanendrift, v. troupeau m. de cygnes. zwanenhals, m. cou m. de cygne. zwanenmaagd, v. Valkyrie /.

zwanezang, m. chant m. du cygne.

zwang, m. in: in '—', en vogue, è la mode, en usage, Usité; in ~ brengen, mettre en faveur; wanneer is dit gebruik in ~ gekomen? quand eet usage s'est-il établi? zwanger, aj enceinte, grosse; >— van hem, grosse de son fait of de ses ceuvres; van iets ~ gaan, être gros de qc., méditer (0/ couver) qc.; van andere plannen ~ gaan, avoir d'autres projets en tête; ~ worden,