is toegevoegd aan uw favorieten.

Encycliek van onzen Heiligen Vader Pius XI, door de goddelijke voorzienigheid Paus,

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geloof is als zekere waarheid aannemen, wat God geopenbaard heeft en door de Kerk te gelooven voorstelt: „de vaste overtuiging van het onzichtbare" (Hebr. XI, 1). Het blijde en fiere vertrouwen op de toekomst van zijn volk, dat iedereen dierbaar is, beteekent iets geheel anders dan het geloof in godsdienstigen) zin. Het een tegen het ander uitspelen, het eene door het andere willen vervangen en met het oog daarop verlangen, door den overtuigden Christen als „geloovig" erkend te worden, is een leeg woordenspel, een bewust verdoezelen van de grenzen of erger.

Onsterfelijkheid in den Christelijken zin is het voortleven van den mensch na den aardschen dood als persoonlijk wezen — tot eeuwig loon of tot eeuwige straf. Wie met het woord onsterfelijkheid niets anders aanduiden wil dan het gemeenschappelijk mede-voortleven in het verdere bestaan van zijn volk voor een onbepaald lange toekomst in het aardsche leven, die verdraait en vervalscht een van de grondwaarheden van het Christelijk geloof, raakt aan de fundamenten van iedere godsdienstige, een zedelijke wereldordening vereischende wereldbeschouwing. Als hij geen Christen zijn wil, zou hij er althans van moeten afzien, den woordenschat van zijn ongeloof uit de Christelijke begrippen te verrijken.

Erfzonde is de erfelijke, zij het dan ook niet persoonlijke schuld van de nakomelingen! van Adam, die in hem gezondigd hebben (Rom. V, 12), verhes van de genade en daarmee van het eeuwige leven, met de neiging tot het kwaad, die ieder door genade, boete, strijd, zedelijk streven terug moet dringen en overwinnen. Het lijden en sterven van Gods Zoon heeft de wereld van den erfvloek van de zonde en van den dood verlost. Het geloof aan deze waarheden, waarop thans in uw vaderland de goedkoope spot van de tegenstanders van Christus het gemunt heeft, behoort tot het onvervreemdbare goed van den Christelijken godsdienst.

Het Kruis van Christus, al mag Zijn naam alleen reeds velen een dwaasheid en een ergernis geworden zijn (1 Cor. I, 23) blijft voor den Christen het geheiligde teeken der verlossing, de standaard van zedelijke grootheid en kracht. In de schaduw daarvan leveni wij. In de omhelzing daarvan sterven wij. Op ons graf moet het staan als verkondiger van