is toegevoegd aan uw favorieten.

Kerke-werk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen zich er rondomheen uit: het middelpunt is de Dam: daarvandaan ziet de toeschouwer (al naar zijn aard is) de beurs, of het paleis-raadhuis, of de Nieuwe Kerk, die liggen alle drie in het centrum. De Dam is het hart van Amsterdam; alles ligt er omheen: de Singel, de grachten, ook de nieuwe randen, de ceintuurbaan, de wandelweg bovenop den slapenden spoordijk, kortom heel Nederland. Rotterdam kent zooiets niet: daar moet men niet spreken van het hart, maar van de hart-ader, dat is de rivier. Rotterdam stroomt, is altijd bezig verder te gaan, leeft met vaart en van de vaart: de stijl van de stad is het verkeer: de bruggen en straks de tunnel zijn even karakteristiek als de havens en de schepen. Wanneer men den Amsterdamschen Dam met het Rotterdamsche Hofplein vergelijkt, dan is de Dam waarlijk het middelpunt, het Hofplein alleen knooppunt van verkeer (bovendien nachtmerrie der kunstzinnige stadsbouwmeesters en symbool van het „niet af"). In Rotterdam is de eschatologie, de leer der laatste dingen, deze, dat men wil uitgroeien langs de rivier tot aan the far-west,' tot aan 's werelds einde, den Hoek van Holland, een punt, dat men in het geloof reeds gegrepen heeft. Die vaart kent Amsterdam niet, daar is men gefundeerd, „gebouwd op palen", geworteld als een boom en men groeit niet voorwaarts, maar opwaarts als de Westertoren, die heet gebouwd te zijn met de penningen van Piet-Heins zilvervloot.

Is dit verschil in gestalte en groei nu ook van belang voor het type der kerkelijke gemeenten, is er verband van „lichaamsbouw en karakter"? Zeker, ook voor het verschil in type van de Amsterdamsche en Rotterdamsche Ned. Hervormde gemeenten bieden de onderscheiden van bevolking en bouw der steden gezichtspunten. Ook in kerkelijk opzicht onderscheidt Amsterdam zich van de provincie, Rotterdam niet, al heeft het een eigen kerkelijk type. Ook kerkelijk is Amsterdam zelfbewust. Men is op zichzelf iets, niet een deel van Noord-Holland, eigenlijk niet eens een deel van Nederland, men is Nederland op de wijze van „de stad", niet op de wijze van het platteland. Daarom spreekt men ook van „de provincie" in het enkelvoud, niet in het meervoud. Men vraagt er niet naar, hoe men het elders doet; men verwacht veeleer, dat de provincie er op