is toegevoegd aan uw favorieten.

De pastoor van Ars

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zen tijd van oorlogen en men dreigde hem te laten oppakken door de gendarmen. Tegen den avond waagde hij het de openstaande deur van een boerenhuis binnen te gaan, want hij voelde reeds duizelingen en vreesde in zwijm te vallen. Daar zat een vrouw alleen, bezig een kluwen garen af te wikkelen. De vrouw bleef rustig zitten, reikte hem den draad met het verzoek dien uit te trekken, ach ter-uit loopend. Jean-Marie deed vriendelijk wat zij vroeg, doch toen hij met den draad buiten was gekomen, vloog zij op en sloeg de deur dicht. Eens werd hem zelfs een onderdak geweigerd voor den nacht en lag hij uitgeput te slapen langs den weg.

Maar toen hij hooger kwam in de bergen, vond hij betere menschen en een stuk brood, gegeven om Gods wil. Als een volleerde asceet verdroeg hij in blijden moed alle vernederingen en ontberingen en bereikte eindelijk het eenzame dorpje, waar de verstorven heilige zijn dagen uitleefde in een alles verteerende liefde. Jean-Marie lag in lang gebed geknield voor het schrijn, dat het lichaam van den heilige omsloot. Met groote pieteit bezichtigde hij het simpele en reeds bouwvallige kerkje, evenzoo de zeer armelijke pastorie, als twee groote relikwieën van dit wonderbare leven nog ongeschonden bewaard: het voorbeeld van wat later in Ars zou gebeuren met zijn eigen Kerk en pastorie.

Voor zijn terugkeer ging Jean-Marie biechten bij den Jesuiten-pater der kerk, en sprak daarna in t kort over de moeilijkheid en de ellende van het bedelen om zijn voedsel. Toen meende de pater zijn gelofte aldus te moeten wijzigen dat hij op den terugweg geen aalmoezen zou vragen maar zelf uitdeelen.